432: Archief van de Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier)

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

432

Periode:

1685 - 1970

Inleiding

Geschiedenis van de statie/parochie.

De geschiedenis van 'de Zaaier' wordt gemarkeerd door de volgende feiten:

1663 Stichting van de statie op de Keizersgracht (thans nr. 22);

1669 Sluiting van de statie op last van de apostolisch-vicaris, van Neercassel, en voortzetting van de zielzorg vanuit 'de Krijtberg';

Ca.1685/ Heropening van de statie;

1690

1708 Opnieuw sluiting van de statie, nu op last van de Staten van Holland en Westfriesland;

1792 Opnieuw heropening van de statie;

1837 Vervanging van de huiskerk door een zogenaamde Waterstaatskerk;

1857 Verheffing van de statie tot parochiekerk (H. Ignatius) en vaststelling van de parochiegrenzen;

1899 Stichting van een tweede hulpkerk, de Sint-Jozefskapel, aan de Rozengracht in 'de Jordaan';

1928/1929 Opheffing van de Sint-Jozefskapel en verplaatsing van kerk en pastorie van 'de Zaaier' naar de Rozengracht en stichting, eveneens aan de Rozengracht, van een groot parochiegebouw, het Roothaanhuis;

1934 Verheffing van 'de Krijtberg' tot parochiekerk en toevoeging aan die nieuwe parochie van, behalve het overgrote deel van het gebied van de opgeheven parochiekerk van de H. Catharina, nog circa één derde deel van het territoir van 'de Zaaier';

1971 Opheffing van de parochie van de H. Ignatius ('de Zaaier') en sluiting van de kerk aan de Rozengracht.

De Amsterdammer, pater Henricus van Alckemade S.J., die al vanaf 1645 de zielzorg in zijn geboortestad uitoefende, o.a. met als pied à terre het woonhuis van zijn moeder, richtte in 1663 een perceel, genaamd 'de Zaaier', op de westzijde van de Keizersgracht (thans nr. 22) bij de Brouwersgracht, tot permanent bedehuis in. Van meet af aan was deze huiskerk een van de belangrijkste onder de 24 staties, die zich rond het midden van de 17e eeuw uit een veel groter aantal provisorische kerkjes hadden ontwikkeld.

Uit het archief van het R.C. Oude-Armenkantoor (zorgdragend voor alle huiszittende roomse armen van Amsterdam) blijkt dat pater Van Alckemade in de winter van 1668/1669 zijn bemiddeling verleende voor de gebruikelijke uitdeling van levensmiddelen aan niet minder dan 12% van alle katholieke armen van Amsterdam. Alleen de pastoor van de dan al meer dan dertig jaar gevestigde franciscanenstatie 'de Boom' nam de uitdeling aan een nog iets grotere groep armen op zich, maar alle andere priesters, die eveneens voor de armen die hun kerkjes bezochten dit intermediair verleenden, bleven bij deze beiden ver of zeer ver ten achter. Dit toont wel aan hoe groot, pas vijf jaar na de oprichting, de toeloop naar 'de Zaaier' toen al was, en in welk een behoefte deze statie, heel speciaal ten behoee van de nabijgelegen dichtbevolkte 'Jordaan', moet hebben voorzien. Er blijkt ook uit dat de Jezuïeten, die zo hoog in aanzien stonden bij de deftigste families der stad, en van wie er velen, zoals pater Van Alckemade, uit die kringen voortkwamen, eveneens aan de zielzorg onder de bredere lagen van de bevolking alle aandacht hebben gegeven. De acta van de gereformeerde kerkeraad, waarin, in de jaren 1663 en 1664, wel elf maal melding wordt gemaakt van zijn herhaalde verzoeken aan burgemeesteren, om 'de paepse kerck op de Kaijsersgraft bij de Groenlandtse packhijsen' te laten sluiten, welke verzoeken blijkbaar geen succes hebben gehad, zeggen dan ook 'dat een paeps priester sich verstout opentlijk en met grote confinuentie van menschen zijn conventiculen te houden in een nieuw huijs bij de groenlantse packhuijsen' maar oock in 't packhuijs daaromtrent'.

Niet alleen de gereformeerde kerkeraad maar ook enkele jansenistisch gezinde franse priesters, die door de apostolisch-vicaris Van Neercassel naar Nederland waren gehaald, was de invloed van de reguliere priesters en bovenal die van de jezuïeten een doorn in 't oog, en wat de gereformeerde kerkeraad, in de jaren 1663/1664, bij burgemeesteren niet of nauwelijks had kunnen bereiken, dat gelukte bedoelde franse priesters wel bij Van Neercassel en zo moest in september 1669, op last van de apostolisch-vicaris, 'de Zaaier' worden gesloten. Pater Van Alckemade vestigde zich toen in 'de Krijtberg', bij zijn medebroeder pater Joannes Verhaghen, alias Joannes van Winterswyck, en zette, zo goed en zo kwaad als 't ging, van daaruit zijn arbeid voort. Dat dit een grote teruggang betekende blijkt opnieuw uit het archief van het R.C. Oude-Armenkantoor. Daaruit zijn ook voor de winter 1683/1684 de aantallen bedeelden bekend en daarvan, 1250 in totaal, werden er nu slechts 60, dus nog geen 5%, via pater Martens, de tweede opvolger in successie van pater Henricus van Alckemade, van levensmiddelen voorzien.

Wanneer 'de Zaaier' opnieuw in gebruik is genomen, is niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk is dat gebeurd na de dood van Van Neercassel (6 juni 1686) en vóórdat diens opvolger, Petrus Codde, eindelijk op 20 september 1688 benoemd, in februari 1689, na zijn bisschopswijding, het bestuur over de Hollandse Missie aanvaardde. Sindsdien stijgt het aantal dopen en huwelijken, van in 1685 (met welk jaar het oudst aanwezige doopboek begint) nog slechts respectievelijk 4 en 2, tot in 1705 met minder dan respectievelijk 186 en 30.

Opnieuw op aandrang van de Jansenisten, die zich nu, omdat zij na de afzetting van Codde niet meer op een hun welgevallige apostolisch-vicaris konden steunen, tot de burgerlijke overheid wendden, werd in juni 1708 op bevel van de Staten van Holland en Westfriesland, mét de andere jezuïetenstaties in dat gewest, ook 'de Zaaier' gesloten. Zó kwam ook aan deze tweede krachtige maar kortstondige opbloei een abrupt einde. Wel bleef 'de Zaaier' na de sluiting, die pas in 1792 werd opgeheven, door jezuïeten en vanaf 1773 tot 1814, toen bovendien de Sociëteit van Jezus was opgeheven, door ex-jezuïeten bezet. Toen de laatste hunner, Theodorus Bastian, in 1825 op hoge leeftijd was gestorven, gaf de vice-superior van de Hollandse Zending, Alcysius Ciamberlani, de statie aan 'de Sociëteit' terug.

De vijf paters, die in het tijdvak 1708 tot 1792 achtereenvolgens bij 'de Zaaier' hebben gewoond, moesten zich ongetwijfeld onthouden van alles was de aandacht zou kunnen trekken. Dit heeft hen echter niet belet om op bescheiden schaal en geleidelijkaan in wat ruimere mate de zielzorg te beoefenen. Sinds 1724 werden jaarlijks weer 1 à 2 doopsels toegediend. Dit aantal steeg rond 1750 tot circa 5 en kort voor de heropening (1792) tot ruim 10 per jaar. Ook werden er tussen 1722 en 1792 zo nu en dan (in deze 70 jaren 130 in totaal) huwelijken ingezegend.

Onder pater Joannes Loncke S.J. (1825-1856) kwam de statie weer tot groter bloei. Zo werd in 1837 de huiskerk vervangen door een veel ruimer en van-buiten-af-als-zodanig-herkenbaar kerkgebouw, ontworpen door architect Joannes van Straaten in zogenaamde romeinse stijl. Door de giften van velen en in 't bijzonder dank zij de royale schenkingen van Wilhelmus Henricus Gompertz en diens echtgenote, Elisabeth Margaretha Abels, kon dit grote werk tot stand worden gebracht.

Tegen het einde van het pastoraat van pater Loncke, omstreeks 1855, was de toeloop naar 'de Zaaier' blijkbaar weer even groot als anderhalve eeuw eerder, kort vóór de tweede sluiting, want ook nu werden er in deze kerk jaarlijks weer circa 30 huwelijken gesloten.

Per 1 januari 1857 werd het grondgebied van Amsterdam door mgr. F.J. van Vree, bisschop van Haarlem, verdeeld over 11 toen opgerichte parochies. Aan de negen parochies 'binnen de veste' geschiedde de toedeling van weliswaar zeer grillig gevormde gebieden zodanig dat behoeftigen en welgestelden zich in alle parochies ongeveer op gelijke wijze in aantal zouden verhouden. 'De Zaaier', de kerk van de H. Ignatius, werd tot parochiekerk verheven en haar zusterstatie 'de Krijtberg', de kerk van de H. Franciscus Xaverius, haar als rectorale hulpkerk toegevoegd. Het parochie-territoir werd tussen de beide jezuïetenresidenties verdeel en wel zó dat het zwaartepunt van de zielzorg-activiteit naar 'de Zaaier' werd verlegd. Nu het werkterrein voortaan door de parochiegrenzen werd bepaald, betekende dit voor 'de Krijtberg', in welke kerk in 1850 niet minder dan 50 huwelijken werden gesloten, tegen 27 in datzelfde jaar in 'de Zaaier', een teruggang, maar voor 'de Zaaier' daarentegen een toeneming, zoals uit de volgende cijfers blijkt.

Huwelijken gesloten

In.. 'de Zaaier' en in 'de Krijtberg'

In 1860 resp. 45 en 20

In 1870 resp. 42 en 13

In 1880 resp. 46 en 35

In 1890 resp. 49 en 26

Stonden uit de jaren vóór 1857 maar weinig gegevens ten dienste, over de periode na de oprichting van de parochies is er, vooral dank zij het voorschrift van de kerkelijke overheid om belangrijke feiten en gegevens te boekstaven, heel wat ruimer informatie. Sedertdien is er ook inzicht in de financiële toestand, waaromtrent tevoren nagenoeg alle gegevens ontbraken.

Hoewel 'de Krijtberg', met het haar toegewezen werkterrein, formeel vanaf 1857 een onderdeel van 'de Zaaier' vormde en dan ook, geen rechtspersoon zijnde, niet afzonderlijk met en tegenover kerkelijke en burgerlijke overheid en derden kon handelen, functioneerde zij toch voor de gelovigen woonachtig in haar wijk feitelijk als parochiekerk, met alleen deze uitzondering dat de doopsels uitsluitend in 'de Zaaier' werden toegediend en in het daar berustende doopboek werden ingeschreven. Ook waren twee van de vier kerkmeesters van de parochie 'de Zaaier', wier college in 1857 bij de oprichting van de parochie werd ingesteld, in 't bijzonder belast met het materiële beheer over 'de Krijtberg' en vergaderden zij regelmatig met de rector van laatstgenoemde kerk, die daarbij als gevolmachtigde van de pastoor van 'de Zaaier' optrad.

Voorts werden voor 'de Zaaier' en 'de Krijtberg' afzonderlijke jaarlijkse begrotingen en rekeningen aan het bisdom ter goedkeuring voorgelegd. Dit in aanmerking nemende, alsook het feit dat 'de Krijtberg' in haar bestaan van bijna drie en een halve eeuw niet langer dan 77 jaar, namelijk van 1857 tot en met 1933, bijkerk van 'de Zaaier' is geweest, leek het voor de hand te liggen om het archief van 'de Krijtberg', dat eveneens bij het Gemeente Archief in bewaring werd gegeven niet als onderdeel van het archief van 'de Zaaier' maar als een op-zich-zelf-staand archief te behandelen.

De eerste pastoor van de per 1 januari 1857 opgerichte parochie was pater Ludovicus van Rijckevorsel. Deze werd reeds in 1861 opgevolgd door pater Atonius de Wit, die tot 1877 in functie bleef.

Onder het pastoraat van pater De Wit werd, bij gelegenheid van de viering, in 1862, van het 25-jarig bestaan van het kerkgebouw, besloten om de kerk inwendig geheel aan te kleden en te voorzien van nieuwe altaren, communiebank, beelden en muurschilderingen. Een en ander, bekostigd uit kleine en grote giften van parochianen en vrienden van 'de Zaaier', werd uitgevoerd naar het plan van de kunstenaar H.J.A. Cuypers, en was na ruim drie jaar voltooid. Eén van de kapelaans, pater F. Heynen S.J., schreef een toelichtend woord, dat einde 1865 onder de titel: 'De versiering en beschildering der St. Ignatius-kerk, De Zaaijer, te Amsterdam' in druk werd uitgegeven. Deze brochure bevat in de aanhef ook enkele bijzonderheden uit de geschiedenis van 'de Zaaier'.

Het jaar 1862 was ook gedenkwaardig door de oprichting, onder leiding van de genoemde pater Heynen, van de Maria-congregatie voor ongehuwde jongemannen uit de middenstand. Deze congregatie, die haar leden verzamelde uit alle parochies der stad, heeft in katholiek Amsterdam op godsdienstig, cultureel en sociaal-caritatief terrein talloze initiatieven ontwikkeld. Zo stimuleerde zij de devotie tot het H. Hart; het houden van de 'stille omgang'; het godsdienstonderricht van de verwaarloosde jeugd, wat tot de oprichting van het Sint-Franciscus-liefdewerk, en creëerde zij in de Gonzagavereniging een sociëteit voor haar leden en andere katholieke jongemannen. Het Apostolaat des Gebeds (archief XII), het Genootschap (der 33) van het H. Hart van Jezus (archief XIII) en de Vereniging 'Laat toekomen Uw Rijk' (archief XV) zijn evenzovele vruchten van genoemde congregatie.

Het was vooral pater Antonius Verweerd, die pater Heynen in 1867 als kapelaan van 'de Zaaier' en directeur van de Maria-congregatie opvolgde, die de devotie tot het H. Hart stimuleerde en vanuit 'de Zaaier' over de stad en land verbreidde. Pater Bernard Cramer, de zoon van een beminde Amsterdamse huisarts, die in 1880 tot kapelaan van 'de Zaaier' werd benoemd en tot 1910 de derde directeur in successie van de congregatie was, bracht de leden van die militante godsdienstige vereniging vooral tot sociaal-caritatieve en culturele arbeid. Zoals eerder opgemerkt had men, bij de parochiële indeling van de stad in 1857, getracht gefortuneerden en armlastigen over alle parochies in ongeveer gelijke mate te verdelen. In de parochie 'de Zaaier' viel het parochiegebied duidelijk in twee zeer tegengestelde delen uiteen, namelijk in een stuk van de toenmaals deftige grachtengordel én in een deel van de bekende volkswijk 'de Jordaan'. Bij de onderlinge verdeling van het werkterrein tussen 'de Zaaier' en de hulpkerk 'de Krijtberg' had 'de Zaaier' voor zich, bij een betrekkelijk klein gebied in de hoofdgrachtengordel, het grootste stuk van het Jordaangedeelte gehouden. Aan 'de Krijtberg', daarentegen was een veel groter gebied aan de grachten met een veel kleiner arbeidsveld in 'de Jordaan' toegevallen. Vooral bij de geestelijkheid van de pastorie van 'de Zaaier' deed zich dan ook al spoedig de behoefte gevoelen om over steunpunten in het volkrijke en zorg-eisende Jordaangebied te beschikken. In heel 'de Jordaan' was nimmer een statie gevestigd geweest en de pogingen in 'de Franse tijd' ondernomen, om de beschikking te krijgen over de protestantse Noorderkerk, waren, zoals trouwens alle moeite om de protestanten tot afstand van enkele van hun vele ruime kerkgebouwen te bewegen, op niets uitgelopen. De bewoners van de uitgestrekte en zeer-dichtbevolkte volksbuurt moesten dan ook, bij de verdeling van de stad in parochies, in 1857, worden ingedeeld bij kerken die buiten hun eigen buurt lagen en daardoor op vrij grote afstand en in een hun vreemd leefmilieu.

De Sint-Vicentiusvereniging, die in 1848 haar werkzaamheden ook in Amsterdam was begonnen, stichtte al in 1851 haar eerste armenschool voor jongens juist in 'de Jordaan' en wel in de Nieuwe Leliestraat, dat was binnen het gebied dat enige jaren later aan de parochie 'de Zaaier' zou worden toegewezen. De Vereniging tot Weldadigheid van de Allerheiligste Verlosser mede dank zij het initiatief van de Amsterdammer pater A. Frentrop S.J., toen kapelaan in 'de Krijtberg', in 1841 in en voor de hoofdstad opgericht, zag van meet af aan een taak in de bevordering van katholiek onderwijs voor meisjes. Ook deze vereniging stichtte haar eerste school, en dat al in de jaren 1845-1847, in 'de Jordaan', zij 't dan buiten het later aan 'de Zaaier' toe te wijzen gebied, namelijk aan de Anjeliersgracht (na demping: Westerstraat). Het onderwijs werd toevertrouwd aan de Zusters van Liefde, van Tilburg.

Pastoor De Wit beijverde zich om naast de volksschool voor jongens, de Sint-Aloysiusschool in de Nieuwe Leliestraat, in zijn parochie ook een meisjesschool te krijgen. Hij schrijf op 22 april 1874 aan de Heer C.F. Lurasco, algemeen president der Vereniging tot Weldadigheid van de Allerheiligste Verlosser, blijkens minuut berustende in het archief onder nummer 149, als volgt:

'Bij deze heb ik de eer Ued. Te berichten, dat ik eergisteravond het pakhuis Java met den nevenstaanden stal zeer voordelig gekocht heb, met het doel, om daar eene Bewaar- en Meisjesleerschool op te rigten. Het zijn dezelfde percelen, in 't hart van de Jordaan gelegen (Egelantiersgracht tusschen de laatste dwarsstraat en de baangracht), op welker aankoop ik tegen het einde des vorigen jaars bij de geachte Vereeniging, aan wier hoofd Ued. Staat, heb aangedrongen. Met het opregte verlangen bezield om met Uw Bestuur samen te werken, en tevens eene geschikte gelegenheid te openen, waardoor in de dringende behoefte zal worden voorzien, om aan alle meisjes en de kinderen boven de twee jaar een katholieke opleiding te kunnen geven, hernieuw ik thans het verzoek, dat het de Vereeniging, die in verscheidene andere streken der stad zoo ijverige pogingen voor dit doel aanwendt, behagen moge de bovenvermelde lokalen van mij over te nemen en tot eene ruime school in te rigten'. De pogingen van pastoor De Wit hadden succes. In 1877 werd de School, in gebruik genomen. Ook deze school van 'de Vereniging tot Weldadigheid', Sint-Ignatiusschool geheten, kwam onder leiding van de zusters van Tilburg.

In deze katholieke meisjesschool werd in 1891, eveneens onder auspiciën van 'de Vereniging' het Maria-Agnespastronaat voor meisjes (het eerste pastronaat in Amsterdam?) gevestigd.

Het verlangen om, behalve dit alles, temidden van de Jordaanbewoners ook een kerk te stichten, bleef echter levendig. Pater J.C. Alberdingk Thijm S.J. (oudste zoon van de bekende letterkundige), die van 1897 tot 1903 pastoor van 'de Zaaier' was, was het gegeven om, samen met zijn kerkbestuur en met de toenmalige rector van 'de Krijtberg', pater L. Steger S.J., dit plan te verwezenlijken. Van pater Steger ging het denkbeeld uit om het verenigingsgebouw 'Constantia', Rozengracht 152, van de Vrije Socialistische Arbeidersbeweging, dat wegens hypotheekschuld op 20 maart 1899 in veiling zou komen, aan te kopen. Kerkmeester J.A.A. Grijpink, kaashandelaar kocht het op eigen naam voor f. 30.100,- en verkocht het op 17 juni d.a.v. voor diezelfde som aan het kerkbestuur van 'de Zaaier'. Zo kon, nog juist vóór het einde van de 19e eeuw de eerste katholieke kerk in 'de Jordaan' worden gesticht.

Aanvankelijk twee, later zelfs drie paters, bedienden de Sint-Jozefskapel, zoals het nieuwe kerkje, zinvol toegewijd aan de patroon van de arbeiders, op wiens verplaatste feestdag, maandag 20 maart 1899, men de gelukkige aankoop had kunnen doen, genoemd werd. Na korte tijd werd het zó geregeld dat twee paters bij de kapel konden wonen, al bleven zij in nauw contact met de paters van 'de Zaaier' hun werk verrichten.

Hoe vanuit deze nederzetting het geloofsleven opbloeide blijkt wel uit de oprichting, nog in hetzelfde jaar 1899, van een meisjescongregatie, gevolgd in 1900 door die van een Maria-congregatie voor mannen. In 1918 werd het Sint-Joannes-Berchmanspatronaat voor jongens gesticht en voorlopig ondergebracht in een belendend pand in de Akolijenstraat.

Van meet af aan had men als doel voor ogen om de kapel, die men toch als min of meer provisorisch beschouwde, mettertijd te vervangen door een flinke nieuw te bouwen kerk. Men begon dan ook dadelijk met de aankoop, voorzover tegen redelijke prijzen mogelijk, van de aangrenzende panden aan Rozengracht, Bloemstraat en Akolijenstraat. Nog in het jaar 1899 werden zó 8 panden aangekocht en in 1900 nog 2. De 4 percelen die men nog nodig had om een één-geheel-vormend-complex te formeren, waren voorlopig te duur. Tenslotte kreeg men ook die in de jaren rond 1920 tegen aanvaardbare prijzen in handen. Intussen kwam men tot het inzicht dat de hier in 'de Jordaan' te bouwen kerk niet alleen de kapel daar ter plaatse zou moeten vervangen maar óók de kerk aan de Keizersgracht, want in en na de eerste wereldoorlog zette de ontvolking van de binnenstad sterk door. De herenhuizen langs de grachten werden van woonhuizen getransformeerd in kantoren en ateliers. Het had geen zin mer daar, en dan bovendien in de uiterste noord-oosthoek van het werkterrein en dichtbij de kerken 'de Posthoorn', 'Sint Dominicus' en 'het Torentje', een ruime kerk te handhaven.

Het was pater H. van Ruth, pastoor van 1921 tot 1929, die de bouw van de nieuwe Zaaierkerk met pastorie aan de Rozengracht en van een groot parochiegebouw, het clubhuis 'Joannes Roothaan', aan de overzijde, met kracht doorzette.

Voor het parochiegebouw liet men eerste het oog vallen op het verenigingsgebouw 'de Harmonie', Rozengracht 207-213; daarna gingen de gedachten uit naar de oostelijke hoek van de 2e Rozendwarsstraat en de Rozengracht. Door aankoop, tenslotte van de panden Rozenstraat 146 en 148 en Rozengracht 129-135, kreeg men de beschikking over een terrein, recht tegenover de te bouwen kerk en pastorie, dat zich van de Rozengracht tot de daarachter gelegen Rozenstraat uitstrekte.

Gedurende de bouw van kerk en pastorie, waarvoor behalve de omliggende in-eigendom-verkregen panden uiteraard ook de Sint-Jozefskapel zelf moest worden gesloopt, kerkten de kapelbezoekers, in de jaren 1926-1928, in een gehuurde ruimte in het pand Bloemgracht 119, waarvan een bovenverdieping de dienstdoende paters tot woning strekte.

De nieuwe kerk en pastorie kwamen vóór Kerstmis 1928 gereed en het Rothaanhuis kon in het voorjaar van 1929 in gebruik worden genomen. Zij waren ontworpen door de architect W. Valk.

Uiteraard had het kerkbestuur, temeer omdat men het nu verlaten complex aan de Keizersgracht niet zo grif tegen een aanvaardbare prijs van de hand kon doen (het werd pas in 1942 verkocht!), zich diep in de schulden gestoken. Dit leidde, in de jaren van economische crisis, die in 1929 inzette en wel tien jaar aanhield, tot een uiterst precaire situatie, met als gevolg dat het geldelijk beheer van het kerkbestuur in 1933 onder toezicht werd geplaatst van de Commissie tot regeling van het kerkelijk crediet in het bisdom Haarlem. Deze commissie was onlangs in het leven geroepen om te waken over de belangen van de crediteuren, onder wie veel 'kleine luiden', die met hun spaarcentjes in de twintiger jaren de bouw van tientallen nieuwe kerken hadden helpen mogelijk maken. Nog onder het pastoraat van pater D. Nicolaï, die de bouwpastoor, pater H. van Ruth, in 1929 was opgevolgd, en die vanaf 1934, na de afsplitsing van 'de Krijtberg', toen tot parochiekerk verheven, door twee nieuwbenoemde energieke kerkmeesters werd terzijdegestaan, werd de gezondmaking van de financiën krachtig aangepakt. Ook om zijn grote eenvoud en zijn intens medeleven met zijn parochianen, van hoog tot laag, in deze bittere jaren van werkloosheid en armoede, maakte pastoor Nicolaï zich zeer bemind. Onder zijn opvolgers onderscheidden zich in 't bijzonder de paters A. Mulders (1935-1940), B. Sondaal (1953-1959) en P. Beijersbergen van Henegouwen (1959-1965) door hun zorg voor zowel de geestelijke als de materiële belangen van de parochie. Pater Sondaal, Amsterdammer van huis uit en vóór zijn benoeming tot pastoor een zeer populaire prefect van het Sint-Ignatiuscollege te Amsterdam, benutte zijn vele relaties om het leeuwendeel van de nog zwaar drukkende schulden te delgen en bovendien, bij gelegenheid van zijn zilveren priesterfeest, de kerk met een nieuwe verlichting en smaakvolle paramenten te verrijken.

Pater Beijersbergen van Henegouwen, eveneens Amsterdammer van geboorte en ook oud-prefect van het Sint-Ignatiuscollege, zette ook enige acties op touw om de steeds meer ontvolkte parochie financieel op de been te houden en in het bijzonder het parochiaal armbestuur van de nodige middelen te voorzien.

Hoewel bij de ingebruikneming van kerk en clubhuis aan de Rozengracht het werkgebied van 'de Zaaier', ten koste van dat van 'de Krijtberg', met het jordaangedeelte tussen Rozengracht en Lauriersgracht was uitgebreid, en het parochieleven, ook dank zij de activiteiten die vanuit het Rothaanhuis konden worden ontplooid, aanvankelijk sterk opbloeide, kon de gestage neergang toch niet worden gekeerd. Vooral na de tweede wereldoorlog raakte 'de Jordaan' als woonwijk zó in accommodatie ten achter bij wat de nieuwbouw te bieden had, dat jonge gezinnen meer en meer de buurt verlieten zonder dat andere daarvoor in de plaats kwamen. Zo verloren kerk en clubhuis steeds meer hun functie. Al rond 1960 was men doende het Rothaanhuis aan de Erven Lucas Bols te verkopen, welke pogingen echter niet slaagden. Nadat intussen in 1964 nog op bescheiden wijze het derde eeuwfeest van 'de Zaaier' was gevierd, ging het clubhuis in 1968 over aan de stichting 'Wijkwerk Zuid-Jordaan'.

In het kader van de reorganisatie van de zielzorg in de binnenstad, waarbij de parochiegrenzen kwamen te vervallen en men dus naar de situatie van vóór 1857 terugkeerde, met dien verstande dat het sindsdien al tot ongeveer de helft teruggebracht aantal kerken nu nog verder diende te worden verminderd, werd tenslotte vóór einde 1971 'de Zaaier' gesloten. Geraadpleegde literatuur.

F. Heynen S.J., De versiering en beschildering der St. Ignatius-kerk, De Zaaijer, te Amsterdam, Amsterdam, J. Beerendonk, 1865.

H.J. Allard S.J., De Sint Franciscus Xaverius-kerk of De Krijtberg te Amsterdam 1654-1904, tweede vermeerderde uitgave, Amsterdam, C.L. van Langenhuysen, 1904.

A.F.L. Kannegieter, De St.-Jozefskapel, Rozengracht 152 te Amsterdam, 1899-19 mei 1924, overgenomen uit 'De Tijd' oktober-november 1923.

G.A. de Jong S.J., Van de Boom die droeg, een bijdrage tot de geschiedenis van de congregatie van de allerheiligste maagd Maria zonder smet ontvangen, en den H. Aloysius van Gonzaga ' opgericht ten jare 1862 in 'de Zaaier' te Amsterdam bij gelegenheid van haar 75-jarig bestaan. Uitgeversbureau 'Hildebrandt' ' Amsterdam - 1937.

Dr. I.H. van Eeghen, De eigendom van de katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek, 64e jaargang van de Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom Haarlem, Pag. 217 e.v., 1957.

Bewaring en ordening van het archief.

In drie gedeelten, het meest substantiële in 1967 en de beide aanvullingen in 1971, is dit archief, beslaande acht strekkende meter, in bruikleen gegeven, door bemiddeling van de Stichting Centraal Archief Katholiek Amsterdam, aan de Gemeentelijke Archiefdienst.

Door de archivaris van de Nederlandse provincie van de Sociëteit van Jezus was een deel van het archief, uitsluitend de zielzorg betreffende, in 1964 al enigszins geordend. In 1967 werden daaraan nog een aantal delen en stukken toegevoegd. De in 1971 nagekomen delen en stukken hadden hoofdzakelijk betrekking op het kerkbestuur, de Sint-Jozefskapel en het Rothaanhuis.

Bij de herordening is ernaar gestreefd deze zoveel mogelijk te doen naar analogie van die van andere reeds geïnventariseerde archieven van Amsterdamse staties/parochies. Dit leidde tot een veel verder gaande differentiatie in niet minder dan 648 archiefnummers, verdeeld over 24 archieven.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); Apostolaat des Gebeds : 11
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); armbestuur : 1.3
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid : 4
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); broederschap van de Eeuwigdurende Aanbidding : 13
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); broederschap van de Zalige Dood : 3
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); broederschap van het Heilige Hart van Jezus : 5
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); broederschap van het Heilige Hart van Maria : 8
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); Geestelijk Verbond : 7
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); genootschap tot hulp der gelovige zielen : 10, 9
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); genootschap van de Eeuwige Memorie : 6
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); genootschap van het Heilige Hart van Jezus : 12
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); jongemannencongregatie : 20
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); kerkbestuur : 1.2, 23, 24 (1925 ca. - 1954 ca.)
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); lekenapostolaat der intronisatievereniging : 19
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); liefdewerk der retraiten : 17
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); mannencongregatie : 16
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); meisjescongregatie : 15
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); pastoor : 1, 1.1
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); stichting Fatimakapel : 21
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); stichting Roothaanhuis : 18
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); vereniging Laat Toekomen Uw Rijk (L.T.U.R.) : 14
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); werkgroep Zaaier : 22
    • Parochie van de Heilige Ignatius (de Zaaier); Zangkoor Ad Majorem Dei Gloriam (A.M.D.G.) : 2
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.