343: Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

343

Periode:

1521 - 1841

Inleiding

De instelling

De stad heeft sinds zijn ontstaan altijd de problemen moeten oplossen van de arme en hulpbehoevende inwoners. Hieronder waren weduwen en wezen, vondelingen en zieken, bedelaars en passanten.

Op 29 januari 1613 vaardigden 'mijne heren van den gerechte' een keur uit over bedelaars, vagebonden, verlaten kinderen en dergelijke lieden, waarin tevens voor de échte armen, volwassenen en kinderen, een college van aalmoezeniers of armenvaders werd ingesteld.

Een gedeelte van het voormalige Clarissenklooster aan het Singel, tussen Heiligeweg en Muntplein, werd ingericht tot aalmoezeniershuis, feitelijk een armenhuis. Het was niet het enige huis van deze aard in de stad, er bestonden reeds het Tuchthuis en het Spinhuis om bedelende mannen resp. vrouwen arbeid te verschaffen. Deze huizen hadden zich echter ontwikkeld tot inrichtingen waar men een vrijheidsstraf onderging.

De aalmoezeniers hadden suppoosten in dienst, die echter slecht werden betaald en slecht werkten. En dit, terwijl de armen een zeer heterogene groep vormden, wat een verschillende behandeling vereiste. De bedelaars moesten werk krijgen en zonodig gevangenisstraf, de wezen en vondelingen moesten bij particulieren worden uitbesteed, de arme huisgezinnen dienden voedsel en geld te ontvangen. Pas in 1682 werden de aalmoezeniers ontlast van de zorg voor volwassen armen.

Over de financiering van de stedelijke armenzorg is vooral in de vroedschapsresoluties veel te vinden. Naast subsidies van stadswege, speciale collecten onder de burgerij en legaten en erfstellingen, bestonden de inkomsten van de aalmoezeniers, later van het aalmoezeniersweeshuis, in het algemeen uit de inkomsten uit hun toevertrouwde taken, opcenten op belastingen en uit speciale bijdragen.

Van de taken kunnen genoemd worden ten eerste het innen voor eigen gebruik van de kleine renten, jaarlijks aan de stad verschuldigd en bestaande uit een 500 posten van tezamen ongeveer ¿ 3.500 per jaar (sedert 1623). Vervolgens de administratie van de schoenlappershuisjes (sedert 1664) en van de boeten van de broodwegers (sedert 1696), terwijl de regenten van 1698 tot 1804 de 'directie van de vuilnis' kregen opgedragen. Onder de belastingen vielen de opcenten op precario, op allerlei verkopingen, op begeving van ambten en officiën en boeten op late begrafenissen en begraven of trouwen buiten Amsterdam (1). De kinderen die onder de zorg van de aalmoezeniers terechtkwamen, werden uitbesteed bij particulieren. In november 1662 dienden de regenten een verzoek in om een huis te mogen bouwen om de kinderen in op te voeden en in 'hand werken' te onderwijzen, in plaats van ze tegen zware kosten uit te besteden bij particulieren, waar ze vaak in ongebondenheid vervielen (2).

Een commissie uit de vroedschap berekende dat in 1661 de lasten ¿ 100.700 hadden bedragen, waar tegenover ¿ 70.000 aan inkomsten stonden. Het aantal kinderen bedroeg toen ongeveer 700, waarvan 100 jonger dan 5 jaar die moesten worden uitbesteed bij een min (die dus meer de taak van verzorgster dan van zoogmoeder had), terwijl daarbij nog kwamen kinderen die tijdelijke opvang behoefden als hun ouders op de vaart of in de gevangenis zaten of in het gasthuis lagen.

De vroedschap besloot een jaar later dat een aalmoezeniershuis gebouwd mocht worden, voor de distributie van aalmoezen en het opvoeden van ouderloze kinderen, aan de zuidwestzijde van de Prinsengracht tussen de Leidsegracht en Leidsestraat, met precieze bouwvoorschriften en financiering (3). Op 1 januari 1666 kon het weeshuis in gebruik worden genomen. Er waren natuurlijk voortdurend pogingen om het aantal kinderen zo klein mogelijk en de kosten zo laag mogelijk te houden. De kinderen kregen onderwijs in het weeshuis zelf. Op hun 15e jaar werden de jongens bij een baas in de leer gedaan, terwijl de meisjes in de brei, linnen of wollenwinkel kleding vervaardigden voor zowel de bewoners van het huis als voor deftige Amsterdammers. Ook vertrokken velen naar zee en naar de koloniën. Uit het huis vertrekkende kinderen kregen een uitzet, deels bestaande uit gereedschap. Ze bleven in de regel tot hun 18e jaar in het weeshuis.

Niet alleen het arbeidsloon van de kinderen kwam aan het weeshuis, ook hun nalatenschap als ze later kinderloos overleden en hiervan geen zogeheten uitkoop hadden gedaan. Het aantal kinderen bedroeg in 1683 al 1.300.

Eind 18e eeuw en vooral in de Bataafs Franse tijd moest er overal worden bezuinigd, terwijl het aantal kinderen verveelvoudigde. Men begon aan de proef om kinderen op het platteland uit te besteden, in 1797 in Enschede, vanaf 1810 in allerlei andere plaatsen.

Nadat in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid was opgericht, die verlaten kinderen, wezen en vondelingen in gestichten in Veenhuizen bijeenbracht, verordonneerde het K.B. van 6 november 1822 dat dergelijke kinderen van 6 jaar en ouder daarheen werden overgebracht. Regenten wilden alleen de reeds uitbestede kinderen daarheen zenden.

Het geschil hierover leidde ertoe, dat de regenten op 19 juli 1824 hun ontslag aan burgemeesteren aanboden. Dit werd aanvaard, het aalmoezeniersweeshuis is op 1 augustus 1825 ontruimd (4). Een nieuw benoemd college van regenten van een nieuwe instelling, de Inrichting voor Stadsbestedelingen, nam de boedel en de boeken van het weeshuis over.

Het bestuur

Het college van aalmoezeniers bestond vanouds uit zes regenten, terwijl sedert 1663 tevens vier regentessen waren aangesteld, allen benoemd door de stad. Ingaande 1682 werden acht regenten benoemd en vanaf 1685 zes regentessen.

De regenten vergaderden eens per week, voor het opnemen van kinderen en regeling der inkomsten en uitgaven. Telkens twee van hen hadden speciale taken: toezicht op het gebouw, de inkoop van stoffen, de inkoop van granen en toezicht op de bakkerij, en tenslotte de inkoop van andere levensmiddelen.

De regentessen kwamen ook wekelijks bijeen, voor met name de betaling van de minnen, regeling van de naai en breiwinkels en verschaffing van kleding en linnengoed.

Er was veel personeel nodig. Een hoofdprovoost, met tien dienaars, had onder meer de zorg voor de boedels die aan het huis vervielen, de opname van vondelingen en de registratie van de jongens die naar Oost Indië voeren. Soms was hij tevens secretaris van de regenten, soms werd hiervoor een afzonderlijke functionaris aangesteld. De laatste hield de notulen en correspondentie bij en tevens de registers van de kinderen bij hun opname en plaatsing intern of extern. Een opperboekhouder, met enkele ondergeschikten, hield de financiële boeken bij.

De overige personeelsleden waren aangesteld voor bepaalde taken in het weeshuis. Hieronder is te rekenen personeel voor de keuken, het onderwijs, de ziekenzorg, de linnen en breiafdeling en dergelijke. Een uitgebreide beschrijving is te vinden bij Wagenaar (5).

Het archief

De eerste vraag was, wat er over is van het archief uit 1613 1666. Afgezien van reglementen en een enkel incidenteel stuk, zijn dit hoofdzakelijk resoluties (vanaf 1633), journalen en grootboeken (vanaf 1633), legaten (1619 1657) en het renteboek (inv. nr. 519). Niet alleen dat dit niet veel is, maar vooral het feit dat de registers van resoluties en financiën doorlopen van voor tot na 1666, zijn de redenen om geen apart archief van de aalmoezeniers te onderscheiden.

De administratie van de kinderen kwam pas langzaam op gang: de opnamen zijn vanaf 1682 opgetekend, de plaatsing bij minnen van ongeveer 1690 af, terwijl toch in 1666 al de meisjes in het Groothuis werden geboekt. In de serie betreffende de tijdelijk opgenomen kinderen (inv. nr. 358 367) zitten enkele grotere hiaten. Vondelingen werden pas sedert 1784 apart geregistreerd (inv. nr. 371).

Enkele vroege einddata zijn ontstaan doordat registers begonnen in het weeshuis werden voortgezet in de Inrichting voor Stadsbestedelingen en terecht in het archief van deze instelling zijn gelaten.

Het archief bleek uiteindelijk niet zo gecompliceerd in elkaar te zitten, omdat de organisatie van het weeshuis eenvoudig was. Er was een bestuur van regenten en van regentessen, waar het vele personeel onder viel. In de praktijk zullen allerlei personeelsleden verantwoordelijk zijn geweest voor het bijhouden van de registers op hun terrein, maar dit gaf hun geen zelfstandiger bevoegdheid. Er is dan ook slechts één serie notulen ontstaan.

De inventarisatie

De huidige inventaris is het resultaat van een derde en nu definitieve poging tot het maken van een toegang op het archief van het aalmoezeniersweeshuis.

De eerste opzet mondde uit in een inventarisatie van de stukken, zonder toelichting, volgens het sterk verouderde en onpraktische gebruik om series in z'n geheel één nummer te geven.

De tweede opzet was een stageproject, dat nooit is voltooid. Er was echter met name een uitgebreid begin gemaakt met de beschrijving van de partijen in de pakken boedelpapieren, vanuit de gedachte dat degenen die het archief raadplegen wel voornamelijk geïnteresseerd zouden zijn in de individuele kinderen. Daar het jammer zou zijn om de hierin geïnvesteerde tijd en moeite teniet te doen, is deze analyse consequent voortgezet. Het resultaat hiervan was bovendien dat diverse afgedwaalde papieren weer op hun oorspronkelijke plaats gelegd konden worden. Aan de verdeling van de boedelpapieren over de diverse portefeuilles (inv. nr. 483 492) is weinig veranderd, omdat de logica hiervan niet helderder zou worden bij een andere opzet. Hopelijk wijst de nu vervaardigde index op persoonsnamen de weg naar de gezochte persoon.

Voorts was ook reeds een poging gedaan om de dikke portefeuilles 'ingekomen en uitgaande stukken' (oud inv. nr. 25 26) te analyseren. Dit bleken namelijk verzamelportefeuilles te zijn voor losse stukken over allerlei onderwerpen, die de gang van zaken in het weeshuis zo aardig toelichten. Het resultaat is geworden, dat de stukken uit deze portefeuilles apart zijn beschreven en opgeborgen. Een andere oude erfenis waren de 'charters'. Alle stukken van perkament waren uit het archief gelicht en afzonderlijk in genummerde enveloppen opgeborgen. Deze berging kon niet tenietgedaan worden. Het overgrote deel bleek, bij beschrijving en controle, bijlagen te vormen bij het renteboek (inv. nr. 519). De beschrijvingen zijn echter toch gehandhaafd, al zijn deze betrekkelijk eenvoudig en niet volgens de formele regels opgezet. Er was enige aarzeling over het 'Fonds Speciaal' (inv. nr. 461 466) dat thuishoort in het archief van het Lutherse diaconieweeshuis. De stukken zijn echter al anderhalve eeuw op de huidige plaats gebleven en bovendien is van de archieven van laatstgenoemd weeshuis reeds jaren geleden een gedrukte inventaris verschenen, wat het moeilijk maakt om het Fonds nog in die archieven onder de aandacht te brengen.

De structuur van het archief was reeds blijkens de oude eerste inventarisatie niet gecompliceerd. Voor de overzichtelijkheid zijn de daarin voorkomende rubrieken enigszins uitgesplitst.

Voorts valt nog op te merken dat de rubriek 'diversen' (inv. nr. 646 655) stukken bevat die wegens hun geringe belang en hun diversiteit niet onder afzonderlijke rubrieken zijn gebracht. De in de Inrichting voor Stadsbestedelingen opgenomen en beschreven registers, die aangelegd zijn in het weeshuis, zijn hier opgenomen zonder nummer.

De omvang van het archief is ca. 38 m. De oude inventarisnummers uit de eerste inventarisatie zijn zo lang de enige geweest, dat een concordans met de nieuwe nummers is vervaardigd, die achterin deze inventaris is opgenomen.

Bronnen en literatuur

Archief Vroedschap (arch. 5025)

J. Wagenaar, Amsterdam in zijn opkomst..., 2e stuk (Amsterdam 1765), p. 286 301

W.F.H. Oldewelt, 'Het oudste armenhuis', in: Amsterdamsche archiefvondsten (Amsterdam 1942), p. 139 144

W.F.H. Oldewelt, 'Het aalmoezeniersweeshuis', in: Jaarboek Amstelodamum 61 (1969), p. 126 140 (1) Uitgebreid in vroedschapsresolutie van 24 juni 1624 (inv. nr. 13). Zie ook Oldewelt (1942)

(2) Vroedschapsresolutie van 28 januari 1663 (inv. nr. 23)

(3) Inv. nr. 5 stuk 55

(4) Oldewelt (1969), p. 126 140

(5) Wagenaar II, p. 286 301

Archiefvormer

Aalmoezeniersweeshuis
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.