336: Archief van de Ambachtsheerlijkheid of Ban van Zunderdorp en Nieuwendam

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

336

Periode:

1620 - 1820

Inleiding

NIEUWENDAM EN ZUNDERDORP.

1. Samenstelling en bevoegdheden van het bestuur.

Ligging en begrenzing.

De dorpen Zunderdorp en Nieuwendam in het baljuwschap Waterland, vormden samen een ambachtsheerlijkheid of ban, die in het Noorden begrensd werd door de ban Ilpendam en Watergang, in het Zuiden door het IJ, in het Westen door de bannen Buiksloot en Landsmeer en in het Oosten door de ban Broek.

De kwartieren.

De ban was onderverdeeld in de kwartieren Vuilharnder, Nopender en Kerkbuurter die tezamen Zunderdorp vormden, en het Zuiderkwartier of Nieuwendam. Zunderdorp was het hoofddorp.

Samenstelling bestuur en benoeming daarvan.

Het bestuur van de ban bestond uit een schout, vier schepenen, vier burgemeesters en vier vroedschappen.

De secretaris, die tevens thesaurier was, werd door burgemeesters en vroedschappen aangesteld. Hij kreeg zijn commissie van en werd beëdigd door de baljuw.

Jaarlijks, eind april begin mei, koos de baljuw van Waterland uit een voordracht van acht personen, hem aangeboden door de vroedschappen, voor elk kwartier een schepen. De baljuw beëdigde de pas-gekozen schepenen of liet dit door de schout namens hem doen. De burgemeesters en vroedschappen benoemden drie nieuwe burgemeesters voor drie kwartieren, terwijl in het verdere kwartier een oud-burgemeester bleef. Elk jaar had een ander kwartier een oud-burgemeester. Iedere burgemeester was verantwoordelijk voor de financiën in zijn kwartier en na de verkiezingen legden de afgetreden burgemeesters rekening en verantwoording af ten overstaan van de nieuwe burgemeesters en de vroedschappen. De schout werd door burgemeesters en vroedschappen van de ban benoemd en beëdigd door de baljuw, van wie hij ook zijn commissie kreeg.

De acht vroedschapsleden, twee uit elk kwartier, werden om de twaalf jaar door burgemeesters en vroedschappen gekozen en na zes jaar trad de helft af.

Het recht tot jaarlijkse benoeming van vier armenvoogden, vier hooistekers en vier kerkmeesters, één voor elke kwartier, was een burgemeesters en vroedschappen voorbehouden, evenals de verkiezing van een dijkvoogd in het Burckslag, één in Nopend, één in Vuilharnderslag en één in Zuideinderslag.

Naast de vier nieuw benoemde dijkvoogden bleef er in elk kwartier een oud-dijkvoogd. De afgetreden dijkvoogden, armenvoogden en kerkmeesters moesten hun financieel beleid verantwoorden voor de magistraat en na de goedkeuring droegen ze de gelden over aan de nieuw gekozenen.

Sedert 1733 benoemden burgemeesters en vroedschappen jaarlijks ook twee hooistekers in De Meer onder Zunderdorp. Na 1795 werd dit gedaan door het respectieve bestuur van de twee dorpen. Na 1805 komt de benoeming van deze personen niet meer voor in het protocol van notulen van de ban Zunderdorp. Taak burgemeesters en vroedschappen.

Burgemeester en vroedschappen hadden naast deze benoemingsrechten tot taak het uitvaardigen van keuren ter handhaving van de openbare orde en veiligheid. De zorg voor de financiën en belastingen ten behoeve van de ban berustte ook bij burgemeesters en vroedschappen; zij beheerden de leggers van de huizen en landerijen en de registers houdende de aangiften van transporten van onroerende goederen.

Taak secretaris.

De secretaris inde als pond- en schotgaarder de dijklasten, sluis- en molengelden over landerijen gelegen in Nieuwendam en Zunderdorp, en de ordinaire en extraordinaire verpondingen, waarover hij verantwoording moest afleggen voor burgemeesters en vroedschappen. Hij was secretaris voor burgemeesters en vroedschappen van de ban en hij vervulde deze taak tevens voor schout en schepenen.

Taak van schout en schepenen.

De schout en vier schepenen belastten zich met de contentieuze- en voluntaire rechtspraak. Onder de contentieuze rechtspraak of de rechtspraak in geschillen viel het recht van zeventuig, de preferentierol, vlotvarend- of zeevarend recht en civiele zaken.

Het recht van zeventuig werd toegepast als het eigendomsrecht of de grensscheiding van een perceel betwist werd. Vier geërfden, die aan de ene zijde, en drie geërfden die aan de andere zijde van het perceel grensden gaven dan hun verklaring erover. Inventarisatie en transporten van nagelaten boedels, aangiften van nagelaten boedels, ten behoeve van de 20e penning en beslaglegging op onroerende goederen en desolate boedels waren ondergebracht in de preferentierol of schepenrol der desolate boedels, omdat deze zaken voorrang genoten.

Schout en schepenen spraken vlotvarend- of zeevarendrecht als het geschillen over zeezaken of een kort geding betrof.

De voluntaire of vrijwillige rechtspraak omvatte transporten van onroerende goederen, van los- en lijfrenten, van hypotheken en van custingbrieven.

Behalve de rechtspraak hadden schout en schepenen vele andere bevoegdheden zoals het vaststellen van rooilijnen van de percelen in de twee dorpen en de funktie van weesmeesteren. In deze hoedanigheid beheerden schout en schepenen de weeskamer.

Militaire zaken berustten ook onder hen. Zij verleenden de ventvergunningen, die na verlening aan de baljuw en de pond- en schotgaarder getoond moesten worden voordat de vergunninghouders ze mochten gebruiken.

De schout.

De schout had veel bevoegdheden; hij was rentmeester op publieke veilingen, ijker van maten en gewichten, gerechtsbode (deze laatste funktie is te vergelijken met deurwaarder); hij belastte zich met schouw van sloten, vaarten en bruggen en met het toezicht op het brandgereedschap.

De hoge vierschaar van Waterland.

De hoge vierschaar van Waterland; waarin de baljuw en vier schepenen uit elk van de zes dorpen (hoofddorpen) zitting hadden, oefende de criminele rechtspraak uit. Dit orgaan had zitting in het hoofddorp waar de misdadiger gearresteerd en verhoord was.

Als de baljuw vierschaar wilde houden, maakte hij dit drie dagen van te voren per missive aan de burgemeesters en schepenen van de zes hoofddorpen bekend. De stedehouder van de baljuw nam diens plaats in de hoge vierschaar in, als de baljuw deze zelf niet kon bijwonen, zodat één van deze twee personen altijd bij de vierschaar aanwezig was. De vierschaar fungeerde ook als hoger beroepsinstantie voor civiele zaken en herzag indien nodig het vonnis van schout en schepenen.

Waterlandse Unie.

De ban Zunderdorp was lid van de Waterlandse Unie die in 1619 gesloten werd tussen Landsmeer, Zunderdorp, Ransdorp, Schellingwoude, Zuiderwoude en Broek om de rechten en vrijheden van deze zes Hoofddorpen te waarborgen. Elk van de dorpen zond twee gedeputeerden, vaak burgemeesters, naar de vergadering, die elke keer in een ander hoofddorp gehouden werd.

De Waterlandse willekeuren werden vastgesteld, gewijzigd en elke drie jaar verlengd door de baljuw, schepenen en burgemeesters van de zes hoofddorpen.

Geschillen over de jurisdiktie tussen de burgemeesters en vroedschappen van de zes hoofddorpen en de baljuw werden berecht door commissarissen van het Hof van Holland.

Deze unie werd elke tien jaar verlengd en de laatste keer gebeurde dit op 27 augustus 1806 in het raadhuis van Ransdorp. De laatste vergadering vond op 27 december 1811 in Landsmeer plaats.

Van de zes hoofddorpen omvatten er vijf meer dan de eigenlijke dorpen, want bij Landsmeer behoorde Watergang, bij Zuiderwoude Uitdam, bij Ransdorp Holysloot en een gedeelte van Durgerdam, bij Schellingwoude Buiksloot en een gedeelte van Durgerdam en bij Zunderdorp behoorde Nieuwendam.

Op 12 oktober 1731 verkochten de Staten van Holland de heerlijkheden van de zes hoofddorpen aan de burgemeesters van deze dorpen. De overdracht geschiedde aan iemand die door de burgemeesters was gemachtigd, en na diens overlijden moest leenverheffing plaats vinden aan iemand die door burgemeesters en vroedschappen benoemd werd.

Het hoogheemraadschap Waterland.

De zes hoofddorpen en Purmerend, Purmerland en Monnickendam waren elk vertegenwoordigd met een heemraad in het bestuur van het hoogheemraadschap Waterland. Dit bestuur bestond uit baljuw van Waterland als dijkgraaf, de negen heemraden en een secretaris die altijd een secretaris van Monnickendam was. De baljuw was tevens schout van Monnickendam; de vergaderingen werden altijd in Monnickendam gehouden. De burgemeesters en vroedschappen van de steden en dorpen droegen twee personen voor, uit wie de gecommitteerde Raden één tot heemraad voor drie jaar kozen.

Zunderdorp en Nieuwendam sinds 1795.

Het bestuur.

Op 3 februari 1795 legden burgemeesters, vroedschap, schout, schepenen, kerkmeesters en armenvoogden hun functie neer. De zelfde personen werden echter herkozen door een volksstemming en kregen nu zitting in de volgende comités:

Twee leden in het Comité van Algemeen Welzijn,

Drie leden in het Comité van Justitie,

Twee leden in het Comité van Publieke gebouwen en

Twee leden in het Comité van Financiën en Armenzorg.

Naast deze comités werden er twee volksrepresentanten aangesteld en op 15 februari van het zelfde jaar werd het Comité van Algemeen Welzijn uitgebreid met één lid. De Comités vormden de municipaliteit die sedert 3 februari 1795 met de schout vergaderde. De notulen werden ondertekend door de secretaris, die in zijn functie gehandhaafd bleef.

Zunderdorp had de meeste vertegenwoordigers in de municipaliteit waardoor Nieuwendam daarin te weinig zeggenschap had. Op 16 juni 1795 kwam er een verbetering tot stand waarbij vier commissarissen: volksvertegenwoordigers, die op 3 februari 1795 in Nieuwendam waren gekozen, zitting kregen in de gecombineerde municipaliteit. Nieuwendam diende op 18 juni van dat jaar een provisioneel reglement, dat voor beide dorpen gold; bij Zunderdorp in en op 8 juli een tweede reglement, dat ook voor beide dorpen gold, en dat van kracht zou blijven totdat er een regeling was getroffen door de Nationale Conventie.

De regeling kwam op 7 augustus 1795 tot stand, waarbij elk dorp een Comité van Justitie en een Comité van Algemeen Welzijn kreeg. In elk comité zaten vier leden, van elk dorp twee. (N.B. Het reglement van 18 juni staat op folio 115 van protocol van notulen van Nieuwendam en Zunderdorp nr. 7 en in het protocol van notulen van Zunderdorp nr. 129 op folio 84v en 85, en in het protocol van notulen van Nieuwendam nr. 146 op folio 46).

In het reglement van 8 juli werd bepaald dat Nieuwendam en Zunderdorp één ban bleven. In ieder dorp kwam een Comité van Justitie en een Comité van Algemeen Welzijn. In elk Comité hadden twee leden zitting en de Comités legden jaarlijks rekening en verantwoording af, het ene jaar in Zunderdorp en het andere jaar in Nieuwendam.

De Comités van Algemeen Welzijn namen samen de taak van de burgemeesters over en de Comités van Justitie vervingen de schepenen. De ordinaire en extra ordinaire rechtdagen werden op het raadhuis van Zunderdorp gehouden, maar zaken die geen rechterlijke uitspraak eisten, werden door de rechter ter plaatse afgehandeld.

De dorpen maakten jaarlijks een grote en een kleine rekening, waarbij evenveel personen uit beide dorpen aanwezig waren.

De Comités van Justitie en van Algemeen Welzijn behartigden samen de belangen van beide dorpen, maar kleine zaken werden door een van de Comités van Algemeen Welzijn behandeld.

Voor drie jaar werd een heemraad van Nieuwendam gekozen en als deze na die periode aftrad dan werd er een van Zunderdorp gekozen voor een zelfde zittingsduur.

Op 16 februari 1804 keurde het Departementaal Bestuur het conceptreglement goed, waarin een reglement voor beide dorpen en een reglement voor ieder dorp. In het reglement voor beide dorpen was onder meer het volgende bepaald:

Het gemeentebestuur van Zunderdorp en Nieuwendam zou bestaan uit zes leden, waarvan drie uit Zunderdorp en drie uit Nieuwendam; elk jaar moest een lid uit Nieuwendam en een uit Zunderdorp aftreden. Bij de eerste zitting werd de aftreding bij loting bepaald en de twee leden die vervolgens jaarlijks gekozen werden, hadden gedurende drie jaar zitting. Het gemeentebestuur moest dadelijk na de installatie van de nieuwe leden uit hun midden een president kiezen bij meerderheid van stemmen. De president fungeerde drie maanden en was telkens herkiesbaar. Het gemeentebestuur vergaderde één keer per maan, de ene maand te Zunderdorp en de andere in Nieuwendam.

Het gemeentebestuur, dat de taak van burgemeesters en vroedschappen overnam, benoemde ook de armenvoogden. Schout en schepenen oefenden ten aanzien van de uitvoering van sommige keuren, alhier in gebruik, dezelfde macht uit als ze voor 1795 hadden. (Zie nr. 144, folio 3 t/m 6).

Op 16 februari 1804 stelde het Departementaal Bestuur van Holland de zes leden voor het gemeentebestuur aan, waarvan de eerste twee leden bij loting op 1 mei 1805 moesten aftreden.

Splitsing Zunderdorp en Nieuwendam.

De ambachtsheerlijkheid werd naar aanleiding van enige geschillen tussen Zunderdorp en Nieuwendam op 23 oktober 1806 gesplitst in Zunderdorp en Nieuwendam. Elk dorp kreeg een gemeentebestuur van 2 leden en elk een president, maar de rechtspraak bleef berusten bij schout en schepenen over de twee dorpen, en de secretaris bleef ook in functie. (Voorwaarden bij de scheiding bepaald zijn te vinden in nr. 25).

De scheiding duurde tot 21 oktober 1811, want toen werden Zunderdorp, Nieuwendam en Schellingwoude samengevoegd tot één gemeente, die bestuurd werd door een maire, een adjoinct en tien leden.

Rechtspraak sinds 1795.

Certificatie en boedelbeheer.

Te beginnen met 19 februari 1795 belastten de schout en twee burgerrechters zich met ceritificatie en boedelbeheer. Op 7 december 1797 veranderde de naam burgerrechters in schepenen, hoewel dezelfde personen deze functie bleven uitoefenen. Akten, betreffende weeszaken, executie en hypotheek, werden ten overstaan van vier schepenen of schout met drie of vier schepenen verleden.

Weeszaken, nalatenschappen en akten van admissie.

Het Comité van Justitie nam op 19 maart 1795 de taak van schout en schepenen als weesmeesters over. Sinds 6 juli 1796 tot 22 mei 1798 beheerden schout en schepenen als weesmeesteren de weeskamer, daarna deden schout en burgerrechters dit tot 24 oktober 1801, want toen nam het Comité van Justitie dit op zich tot 2 augustus 1805; daarna belastten schout en schepenen zich hiermede.

De schout en burgerrechters verleenden na 1795 de akten van admissie of ventvergunningen, die na verlening vertoond moesten worden aan de baljuw en de pond- en schotgaarder, voordat de houder de vergunning mocht gebruiken.

De akten betreffende nalatenschappen werden verleden ten overstaan van de secretaris en twee burgerrechters of schepenen.

Contentieuze rechtspraak.

Deze werd tot 1797 uitgeoefend door schout en burgerrechters, daarna door schout en schepenen.

De Hoge Vierschaar.

In het provisioneel regelement van 18 juni 1795 werd ten aanzien van de Hoge Vierschaar bepaald dat bij de dorpen met een zelfde aantal personen zitting in dat orgaan zouden hebben. De Hoge Vierschaar en de baljuw bleven in hun functies en bevoegdheden na 1795 gehandhaafd, maar de leden van het Comité van Justitie namen de plaats van de schepenen in. Sedert 12 oktober 1799 hebben de afgevaardigden in de Hoge Vierschaar leden van de Comités van Justitie of burgerrechters en sedert 4 november 1802 was de naam burgerrechters of schepenen in gebruik. Financiën.

De secretaris moest als pond- en schotgaarder sedert 3 februari 1793 verantwoording afleggen ten overstaan van de municipaliteit. Sedert 24 juni 1796 moest hij dit doen voor de twee Comités van Algemeen Welzijn en sinds 19 juni 1798 gebeurde dit ten overstaan van de municipaliteitsleden en de burgerij; sedert 5 juli 1799 voor het Comité van Algemeen Welzijn en sedert 12 juli 1803 voor het gemeentebestuur. Sedert 20 januari 1807 voor de commissarissen uit de gemeente en sedert 20 oktober 1807 voor de gemeentebesturen van beide dorpen.

HET DORP ZUNDERDORP

Bestuur.

Zunderdorp en Nieuwendam hadden samen een rechtbank en een huishoudelijk bestuur, maar ieder dorp had ook zelf één of meer vroedschapsleden en burgemeesters. Het Vuilharnder- Nopender- en Kerkbuurterkwartier waarin Zunderdorp verdeeld was, waren ieder met een schepen en een burgemeester bij de vergadering vertegenwoordigd.

Benoeming kerkmeesters, schoolvoogden en armenvoogden.

Burgemeesters en vroedschappen benoemden jaarlijks omstreeks eind april of begin mei voor elk kwartier een armenvoogd, een schoolvoogd en twee kerkmeesters voor twee kwartieren, terwijl in het derde kwartier de leermeester voor een jaar tot oud-kerkmeester benoemd werd. De afgetreden armenvoogden, schoolvoogden en kerkmeesters legden twee weken na de benoeming van andere personen in de functies, rekening en verantwoording af ten overstaan van burgemeesters en vroedschappen.

Sedert het jaar 1717 werd de functie van schoolvoogd en armenvoogd uitgeoefend door één persoon. Behalve kerkmeesters, school- en armenvoogden benoemden de burgemeesters en vroedschappen jaarlijks sedert 1689 tot en met 1703 zes tot tien molenvoogden, twee voor elke molen. Sinds 20 oktober 1784 was een van de drie burgemeesters presidentburgemeester en hij fungeerde als voorzitter van de vroedschapvergaderingen.

Burgemeester en vroedschappen vaardigden op 29 april 1792 een resolutie uit waarin ze bepaalden dat in elk van de twee kwartieren een kerkmeester werd gekozen, maar in het derde kwartier stelden burgemeesters en vroedschappen een kerkmeester aan die tevens vroedschapslid of burgemeester was. Burgemeesters, vroedschappen en kerkeraad vergaderden samen als er kerkelijke- school- of weeszaken behandeld moesten worden.

Kerkelijke zaken en armenzorg.

De kerk en de armenzorg van Zunderdorp hadden sedert 16 juli 1751 inkomsten volgens een octrooi van de Staten van Holland, waarin deze bepaalden dat op elke zak tarwe, die in Zunderdorp en de daaraan onderhorige districten verbakken en geconsumeerd werd, zes stuivers geheven mochten worden ten behoeve van de armen van elk district. De Staten van Holland verleende op 14 oktober 1768 een oktrooi aan de diakonie en de armenvoogden van Zunderdorp tot het stichten van een diakonieweeshuis met vrijdommen van enkele belastingen.

Bestuur sedert 1795.

Op 3 februari 1795 trad het oude bestuur van Zunderdorp af om plaats te maken voor de municipaliteit waarin Comités en representanten zitting hadden. Deze municipaliteit was voor Nieuwendam aanleiding tot het eerder genoemde conflict met Zunderdorp, dat op 7 augustus 1795 bij de tot standkoming van een nieuwe regeling tussen de beide dorpen werd bijgelegd.

Sedert die datum bestond het bestuur uit een Comité van Algemeen Welzijn, dat het huishoudelijke bestuur in handen had, een Comité van Justitie en een Comité van Armenzorg en Financiën. In elk comité hadden twee leden zitting. De Comités hadden dezelfde taak als de comités van de twee dorpen samen.

Op 15 mei 1796 werd een zelfde aantal nieuwe leden voor deze comités gekozen met uitzondering van het Comité van Armenbezorgers waarin drie leden zitting kregen. Die zelfde datum erd er bepaald, dat het Comité van Armenbezorgers en het Comité van Algemeen Welzijn samen de municipaliteit vormden. Sedert 27 mei 1796 legden de armenbezorgers jaarlijks rekening en verantwoording af voor de municipaliteit.

De municipaliteit en de kerkeraad vergaderden sedert 24 februari 1802 en sedert 3 maart van het zelfde jaar vergaderde het dorpsbestuur met de kerkeraad samen als het school- of kerkelijke zaken betrof. Op 12 november 1802 werd de naam 'leden van het Comité van Algemeen Welzijn' gewijzigd in 'directeurs over het huishoudelijke bestuur te Zunderdorp'. Er waren twee directeurs die dezelfde bevoegheid hadden als het Comité van Algemeen Welzijn.

Het Departementaal bestuur van Holland keurde op 16 februari 1804 het eerdergenoemde conceptreglement goed en in het reglement, dat alleen voor Zunderdorp gold, werd ondermeer het volgende bepaald: van de drie bestuursleden werd er jaarlijks één gekozen. Zij hadden gedurende drie jaar zitting en fungeerden het laatste jaar als president en beheerden in die hoedanigheid de dorpskas. De president moest voor dat hij aftrad financiële verantwoording afleggen ten overstaan van zodanige commissie. (zie nr. 149 folio 6 t/m 7).

Sedert 8 maart 1804 bestond de directie van het huishoudelijk bestuur uit de drie leden.

Huwelijkse zaken.

Op die zelfde datum benoemde het gemeentebestuur drie commissarissen voor de huwelijkse zaken, maar op 25 mei van dat zelfde jaar werd de benoeming van deze commissarissen ongedaan gemaakt en namen schout, schepenen en de secretaris deze taak over.

Armenzorg.

De Armenzorg berustte bij drie armenvoogden die jaarlijks benoemd werden door het gemeentebestuur en financiële verantwoording moesten afleggen bij het gemeentebestuur. Op 8 maart 1804 bepaalden de gemeentebesturen van Zunderdorp en Nieuwendam dat ieder dorp wel zijn armenvoogden bleef benoemen, maar dat de jaarlijkse rekening en verantwoording van armenvoogden uit beide dorpen zou geschieden t.o.v. het gemeenschappelijk bestuur van Zunderdorp en Nieuwendam.

Financiën.

Sedert 1807-1811 beheerde de president van het dorpsbestuur de financiën van het dorp.

Nieuwendam.

Het bestuur.

Nieuwendam, het vierde kwartier van Zunderdorp, had evenals het laatst genoemde dorp een eigen huishoudelijk bestuur en dit bestond uit een burgemeester, een vroedschapslid, die tevens schepen was, vier kerkmeesters en twee armenvoogden. Jaarlijks in de maand juni of juli verruilden de bovengenoemde personen hun functie. De burgemeester nam bijv. de plaats van een vroedschapslid in, die op zijn beurt burgemeester of kerkmeester werd.

De burgemeester, armenvoogden en kerkmeesters legden rekening en verantwoording af voordat ze aftraden. De kerkmeesters, het vroedschapslid en de burgemeester vergaderden samen indien er school- of kerkelijke zaken aan de orde kwamen en dan ondertekenden behalve de burgemeester of het vroedschapslid ook twee of meer kerkmeesters en soms ook de twee armenvoogden de resoluties. De schoolmeester, die behalve schoolmeester, koster en voorzanger was, hield tevens de doop- trouw- en begraafregisters bij.

Financiën.

De burgemeester van Nieuwendam legde een kasboek aan, waarin hij de ontvangsten en uitgaven ten behoeve van het dorp bijhield. Na zijn aftreden moest hij de financiën verantwoorden ten overstaan van de nieuw gekozen burgemeester of voor het vroedschapslid, of voor de oud-burgemeester.

Kerkelijke zaken en armenzorg.

Op 11 mei 1758 verleenden de Staten van Holland oktrooi aan de diakonie van de hervormde kerk en de armenvoogden van Nieuwendam tot het stichten van een diakonieweeshuis.

De armenvoogden, ook wel buitenvaderen genoemd, en het weeshuis waren onderworpen aan een reglement dat door de burgemeester, het vroedschapslid en de kerkeraad waren vastgesteld en, indien nodig, gewijzigd werd. De inkomsten ten behoeve van de armenzorg bestonden uit het liggeld van schepen, het schepengeld geheten, dat de armenvoogden van de werfbazen ontvingen.

Bij de stichting van het weeshuis sloten de burgemeester, het vroedschapslid en de kerkeraad een overeenkomst, waarbij een vierde deel van de ontvangsten van de diakoniekas in de armenkas werd gestort. De armenvoogd, die de armenvoogdkas beheerde, moest deze jaarlijks verantwoorden ten overstaan van het dorpsbestuur. Sedert de bovengenoemde overeenkomst gebeurde dit ten overstaan van twee diakenen. De financiën van het weeshuis werden beheerd door een boekhouderregent.

Nieuwendam sedert 1795.

Bestuur.

De burgemeester, de vroedschap, de kerkmeesters, de armenvoogden, de schout en de secretaris traden op 3 februari af om plaats te maken voor een nieuw dorpsbestuur dat door het volk gekozen werd. Eerst koos het volk vier commissarissen, die als volksvertegenwoordigers de taak hadden om uit de acht door het volk gekozen burgers de vier volgende comités te formeren:

Het Comité van Justitie dat de taak van het schepenlid overnam,

Het Comité van Algemeen Welzijn, dat de vroegere burgemeester verving,

Het Comité van Armenzorg dat de plaats van de armenvoogd innam,

Het Comité van Gebouwen, dat de publieke gebouwen beheerde.

In elk van deze Comités hadden twee personen zitting.

De schout en de secretaris waren bij volksstemming weer in hun ambten gekozen.

Op 22 mei 1795 werd op last van de representanten van het volk van Holland een Comité van Algemene Waakzaamheid gekozen. (zie nr. 146 folio 35v-39).

Het Comité van Algemeen Welzijn en het Comité van de Armenzorg vormden met het Comité van Justitie de municipaliteit. De municipaliteit, de schout en de commissarissen vergaderden samen. Sedert 26 juni 1795 werden de vergaderingen gehouden door de municapaliteit. Op 29 mei 1796 kozen de stemgerechtigde burgers acht personen, uit wie vier Comités gevormd werden; maar de burgerij liet het formeren van de Comités aan deze acht gekozenen over. De volgende Comités werden gevormd: het Comité van Algemeen Welzijn, het Comité van de Armenzorg, het Comité ter Algemeen Toezicht, dat toezicht hield op de brandspuiten en dat in actie kwam als het dorp door brand of overstroming getroffen was, en het Comité van Justitie.

In elk Comité hadden twee leden zitting. De drie eerst genoemde Comités vormden de municipaliteit. In het vervolg moest na een jaar één lid van elk van de drie eerder genoemde comités aftreden en het jaar daarop moesten de drie leden die het langst in functie waren aftreden. Dit gold niet voor het Comité van Justitie, omdat daarvoor elk jaar twee nieuwe leden gekozen moesten worden. (zie nr. 146 folio 94-109).

De verkiezingen van de leden van de Comités vond in mei plaats. Op 16 februari 1804 keurde het Departementaal Bestuur van Holland het eerder genoemde conceptreglement goed en in het reglement, dat alleen voor Nieuwendam gold, werd onder meer het volgende bepaald: de verkiezing van het bestuur was op dezelfde wijze geregeld als de verkiezing van het bestuur van Zunderdorp. (zie nr. 148 folio 7-8).

Sedert 31 oktober 1809 vergaderden het gemeentebestuur en de drie gecommitteerden uit de burgerij samen.

Het gemeentebestuur was sinds 25 februari 1811 financiële verantwoording schuldig aan de drie gecommitteerden.

Op 11 april 1811 werd op last van de prefekt een lijst met namen van kandidaten voor het nieuwe gemeentebestuur samengesteld en naar hem opgestuurd. Volgens deze lijst bestond het toekomstige bestuur uit de vroegere president; die de titel van provisioneel maire kreeg, één adjunct en vijftien municipaliteitsleden.

De prefect benoemde op 27 juli van dat zelfde jaar het nieuwe bestuur dat uit de vroegere president bestond, die de titel van maire kreeg, één adjunct en vijf leden van de raad der municipaliteit, waarvan het ledental op 10 augustus 1811 werd uitgebreid tot negen.

Enkele maanden later werd, in verband met de samenvoeging van Zunderdorp, Schellingwoude en Nieuwendam tot één gemeente, door de prefect een nieuw gemeentebestuur benoemd. Dit bestuur bestond uit de vroegere president, nu maire geheten, één adjunct en tien leden van de raden municipaal.

Armenzorg.

De armenzorg berustte sedert 22 maart 1804 bij twee armenvoogden van wie één voor twee jaar en de ander voor één jaar benoemd werd door het gemeentebestuur. Een of beide armenvoogden legden jaarlijks rekening en verantwoording af ten overstaan van het gemeentebestuur. Op 8 maart 1804 bepaalden de gemeentebesturen van Nieuwendam en Zunderdorp dat ieder dorp wel zijn armenvoogden bleef benoemen maar dat de jaarlijkse rekening en verantwoording van de armenvoogden uit beide dorpen zou geschieden ten overstaan van het gemeenschappelijk bestuur van Nieuwendam en Zunderdorp.

Financiën.

Sedert 3 febuari 1795 tot en met 1802 werd de dorpskas beheerd en rekening en verantwoording afgelegd door een lid van het Comité van Algemeen Welzijn ten overstaan van de municipaliteit. Sedert 1803 tot 1805 werd beheer en rekening en verantwoording gedaan door een lid van het Comité van Algemeen Welzijn ten overstaan van de aanwezige burgers en de leden van het gemeentebestuur. Sedert 1805 tot en met 1808 beheerde de president de dorpskas en legde financiële verantwoording af ten overstaan van de leden van het gemeentebestuur en drie commissarissen, die de burgerij vertegenwoordigden.

Huwelijkse zaken.

Het reglement van 1804, dat voor beide dorpen gold, verbood de voltrekking van huwelijken ten overstaan van het gemeentebestuur. Het gemeentebestuur van Nieuwendam benoemde in 1804 schout, schepenen en de secretaris tot commissarissen van de huwelijkse zaken. De schoolmeester schreef de huwelijken af in de daarvoor bestemde registers.

  1. Inrichting van de administratie.
De protocollen van resolutiën en notulen van burgemeesters en Vroed- vormen een belangrijk bestanddeel van het archief van de ban Zunderdorp. Het oudste protocol dat bewaard is gebleven dateert van 1618, maar de resolutiën werden al in 1595 in een register of op losse bladen geschreven zoals blijkt uit een door de secretaris in 1775 gemaakte kopie van een afschrift van een resolutie van een vergadering, die op 19 november 1595 door burgemeesters en vroedschappen van de ban gehouden werd. (zie nr. 132).

De resolutiën gingen op 11 februari 1795 over in notulen.

De minuten van uitgegane- en ontvangen missiven werden door de secretaris afgeschreven in een speciaal daarvoor aangelegd register en in het protocol van resolutiën en notulen van burgemeesters en vroedschappen van de ban werden missiven uit dit register gekopieerd als dit nodig was. De gekopieerde missiven in het protocol verwijzen naar het register waarin ze zijn afgeschreven.

De bescheiden, waarin de financiën van de ban werden geregistreerd zijn ook een belangrijk deel van het archief. De secretaris inde als pond- en schotgaarder de ordinaire en extra ordinaire verpondingen, sluis en molengelden en dorps en dijklasten en boekte deze ontvangsten in een daarvoor aangelegd register. Na betaling kregen degenen die voor deze lasten en verpondingen waren aangeslagen een kwitantie van de secretaris, die deze kwitanties afschreef in een register, zodat hij de betaalde en ontvangen verpondingen en lasten kon verantwoorden voor burgemeesters en vroedschappen.

De secretaris maakte de akten van registratie van onroerende goederen en de kopieën daarvan ten behoeve van de verpondingen.

De ban was verdeeld in vier kwartieren en dit gold ook voor één van de leggers van de huizen en landerijen in Nieuwendam en Zunderdorp. Na 3 februari verdween deze indeling en werd vervangen door een bestuursinrichting waarin de twee dorpen gelijk vertegenwoordigd waren. Schout en schepenen belastten zich aanvankelijk met voluntaire en contentieuze rechtspraak. Naderhand werden hun taken uitgebreid met boedelbeheer en het beheer van de weeskamer. Het archief van de voluntaire rechtspraak of certificatie is het oudste gedeelte van het archief van de schepenbank. Sedert 1593 werden de transporten ten overstaan van schepenen door de secretaris in protocollen afgeschreven.

In de inventaris die in 1782 door de secretaris werd gemaakt was het protocol van 1593 mei-1618 mei 24 'A' opgenomen maar dit is niet meer bewaard gebleven. De secretaris schreef de contentieuze rechtspraak af op bladen die tot katernen gebonden werden en die later in twee banden ingebonden werden.

Sedert 1649 deed hij dat in registers die, toen in 1782 de inventaris gemaakt werd, op de rug voorzien werden van letters, dit ter onderscheid van de twee banden die een nummer kregen. De preferente schepenrol werd sedert 22 maart tot en met 3 mei 1681 achterin een van de schepenrollen van de certificatie geschreven.

Sedert 11 april 1675 tot en met 8 maart 1685 werd de preferente schepenrol in een schepenrol van de contentieuze rechtspraak ingeschreven en sinds 8 februari 1685 tot met met 20 februari 1749 schreef de secretaris de schepenrol van de desolate boedels in een daarvoor aangelegd register in. Op de laatste bladzijde van dit register vermeldde de secretaris dat de verdere gerepudieerde, geabandonneerde en desolate boedels waarschijnlijk geregistreerd waren in de gerechtsrollen van schout en schepenen, maar hiervan blijkt niets. Op 10 januari 1776 legde de secretaris een tweede register aan, waarin hij tot en met 20 januari 1809 de desolate boedels afschreef.

De extracten van resolutiën en notulen van de zes Waterlandse dorpen en van de steden en dorpen van Waterland waren waarschijnlijk bestemd om aan ieder dorp te worden rond gezonden, opdat deze door de dorpsbesturen afgeschreven konden worden in een register. In de periode van 1654-1802 werden deze resolutiën en notulen ingeschreven door de secretaris in acht registers. De secretaris, die de inventaris in 1782 maakte, voorzag deze registers van letters. Van deze acht registers zijn er twee bewaard gebleven en een derde register dat in 1803 aangelegd werd. Van de bovengenoemde extracten is een aantal gedateerd 1805-1811 bewaard gebleven.

In 1782, en met wijzigingen in 1794 maakte de secretaris van Nieuwendam en Zunderdorp een inventaris van 'de boeken, chartres en papieren, behorende ter secretarie te Zunderdorp'. Deze inventaris is in drie delen gesplitst. Het eerste gedeelte hiervan bevat registers van het archief van burgemeesteren en schout en schepenen, die elk voorzien zijn van letters, en de chartres en stukken, die een inventaris nr. hebben.

Deze letters stemmen overeen met de letters die op de registers staan. Het tweede gedeelte noemt de bescheiden van de weeskamer, elk voorzien van een inventarisnummer, en vermeldt dat deze bescheiden in een 'blikke doos of trommel blaauw geschildert, met witte letters opgeschreeve 'Weeskamer', met een hangslotje ervoor, dienende ter berging van de effecten, penningen, boeken en papieren, ter weeskamer berustten'.

In het derde gedeelte van de inventaris worden de bescheiden van de drie kwartieren van Zunderdorp genoemd. De protocollen van resolutiën zijn geletterd A t/m E en de andere bescheiden hebben een inventarisnummer. Uit deze inventaris blijkt, dat de archiefbescheiden van de ban Zunderdorp van de drie kwartieren en van de weeskamer bewaard werden in de secretarie van Zunderdorp, maar de archiefbescheiden van Nieuwendam worden hierin niet genoemd.

De vergadering van de burgemeester en vroedschap van Nieuwendam, werden in Nieuwendam gehouden, en ter plaatse genotuleerd en ook de financiële verantwoording van de dorpskas vond te Nieuwendam plaats.

In het protocol van resolutiën wordt niet vermeld in welk gebouw dit gebeurde.

Van de archiefbescheiden en effecten, die aan de armenvoogdekas van Nieuwendam toebehoorden, is een goede inventaris (nr. 169) gemaakt en bijgehouden sedert 1759-1814 ten overstaan van de armenvoogden van Nieuwendam. De archiefbescheiden zijn hierin alk van een letter voorzien, de effecten hebben elk een nummer, maar de plaats waar deze bescheiden werden bewaard wordt niet genoemd.

Op 23 oktober 1806 keurde het Departementaal Bestuur van Holland de scheiding tussen Nieuwendam en Zunderdorp goed. Ten aanzien van de archiefbescheiden van het gecombineerde bestuur werd bepaald dat deze in het raadhuis van Zunderdorp bewaard zouden blijven. De president van het gemeentebestuur van Zunderdorp, die de sleutel van het raadhuis bewaarde, verplichtte zich tot het maken van twee inventarissen van de aldaar berustende archiefbescheiden, voor elk van de twee plaatselijke besturen één. Hij moest op aanvrage van de twee besturen de benodigde bescheiden tegen een declaratoir afgeven (zie nr. 25 voor scheidingsvoorwaarden). Tijdens de vergadering van het gemeentebestuur van Nieuwendam op 2 februari 1811 besloot het bestuur om de archiefbescheiden, die in de kist van de algemene armenkas berustten, na te zien en de oude bescheiden, die geen nut meer hadden, te royeren en te verbranden.

De scheiding tussen Nieuwendam en Zunderdorp duurde tot 21 oktober 1811 want toen werden Nieuwendam, Schellingwoude en Zunderdorp samengevoegd tot één gemeente Nieuwendam.

Op 28 december 1811 gelastte de onderprefect dat alle archiefbescheiden, die betrekking hadden op de gecombineerde gemeente, in het gemeentehuis van de gecombineerde gemeente bewaard moesten worden. (het gemeentehuis van Nieuwendam).

Met ingang van 1 januari 1921 werd de gemeente Nieuwendam door Amsterdam geannexeerd en het archief naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats overgebracht.

Op 25 oktober 1921 werden de rechterlijke-, oude burgerlijke standsarchieven en de protocollen van de notarissen die in deze gemeenten hebben geresideerd in bewaring afgestaan door de rijksarchivaris in Noordholland. De archiefbescheiden van Nieuwendam en Zunderdorp waren intussen reeds in 1920 door H.L. Driessen en G. van Es geinventariseerd. (Zie verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven 1921).

De lengte van het archief van Nieuwendam en Zunderdorp, dat tot 1812 is geordend bedraagt vijf meter. De protocollen van de notarissen, die in Nieuwendam en Zunderdorp geresideerd hebben beslaan ongeveer twee en een halve meter, en de doop-, trouw- en begraafregisters van de twee voormalige dorpen een halve meter.

Toevoeging verantwoording van de bewerking

De retroacta van de Burgerlijke Stand, voorheen inventarisnummers 183 t/m 207, zijn overgebracht naar toegangsnummer 5426 (Archief van de Burgerlijke Stand van de gemeente Nieuwendam; Doop-, trouw- en begraafboeken en registers van ontvangst van het middel op trouwen en begraven). De notarisprotocollen, voorheen inventarisnummers 208 t/m 228, zijn overgebracht naar toegangsnummer 5076.NWD (Archief van de Notarissen ter standplaats Nieuwendam).

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Ambachtsheerlijkheid of ban van Zunderdorp en Nieuwendam
    • Ambachtsheerlijkheid Zunderdorp en Nieuwendam; burgemeesters en vroedschappen : 1, 1.1
    • Ambachtsheerlijkheid Zunderdorp en Nieuwendam; dorp Nieuwendam; burgemeester en vroedschapslid : 3
    • Ambachtsheerlijkheid Zunderdorp en Nieuwendam; dorp Zunderdorp; burgemeesters en vroedschappen : 2
    • Ambachtsheerlijkheid Zunderdorp en Nieuwendam; schout en schepenen : 1.2, 181 (1791), 182 (1811)
    • Zunderdorp en Nieuwendam, ambachtsheerlijkheid; weesmeesteren : 1.3
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.