326: Archief van de Algemene Kerkelijke Vergadering van de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

326

Periode:

1792 - 1952

Inleiding

De Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk ontstond in 1791 door een scheuring in de Amsterdamse lutherse gemeente als gevolg van de strijd tussen rechtzinnigen (mensen van het oude licht) en vrijzinnigen (mensen van het nieuwe licht). Toen in de vacature van de rechtzinnige predikant J. Klap (overleden in 1790) een man van het nieuwe licht werd beroepen, trokken de mannen van het oude licht hieruit de consequentie. Zij scheidden zich af en vormden zodoende een nieuwe gemeente. De afgescheidenen noemden zich hersteld-luthers.

De Herstelde gemeente te Amsterdam richtte zich met een circulaire tot alle lutherse gemeenten, opdat deze zich - wanneer ze dezelfde opvattingen huldigden - bij haar zouden kunnen aansluiten. In de loop van de tijd sloten de volgende gemeenten of delen van gemeenten zich bij de Amsterdamse herstelden aan: Enkhuizen in 1795, Medemblik in 1797, Gorinchem in 1799, Harlingen in 1801, Hoorn in 1802 en Zwolle in 1817. In 1827 ontstond in Den Helder een nieuwe gemeente. Deze gemeenten verbroederden zich met de hersteld evangelisch-lutherse gemeente van Amsterdam. Daardoor ontstond nog geen nieuw kerkgenootschap, maar er vormde zich een band van broederschap (een fraterniteit, zie inv. nr. 62), waarbij de Amsterdamse gemeente de buitengemeenten financieel steunde en bijstond in de predikantskeuze. De hersteld-luthersen in Hoorn maakten zich in 1814 los van de fraterniteit en verenigden zich met de oude gemeente aldaar tot de Verenigde evangelisch-lutherse gemeente, die helemaal los stond van enig kerkverband, een vrije gemeente dus. De gehele gemeente in Hoorn voegde zich in 1846 weer bij de herstelden.

Het hoofdbestuur van de hersteld-lutherse gemeenten werd tot 1833 gevormd door de 'Vergadering van de Herstelde Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam en van de met dezelve verbroederde gemeenten' (zie inv. nr. 1, waarin zich de notulen vanaf 1819 bevinden). De regering ontwierp voor de Evangelisch-Lutherse Kerk een algemeen reglement, dat in 1818 een synodaal bestuur invoerde. Het was de bedoeling om de herstelden met de evangelisch-luthersen in één synodaal verband op te nemen. Omdat de herstelden niet betrokken waren bij het ontwerp, weigerden ze het algemeen reglement te aanvaarden. De daaropvolgende jaren was er weinig bereidheid om mee te werken aan het stichten van een afzonderlijk kerkgenootschap. Dat veranderde in 1833, toen de afgevaardigden van de verschillende gemeenten het besluit namen om het Hersteld Evangelisch-Luthers Kerkgenootschap te constitueren. Bij Koninklijk Besluit van 7 augustus 1835, nummer 83, werd het algemeen reglement op het bestuur van dit kerkgenootschap goedgekeurd, en ingevoerd per 1 januari 1836 (zie inv. nrs. 55 t/m 57). Het algemeen reglement droeg het hoogste bestuur van het Hersteld Evangelisch-Luthers Kerkgenootschap op aan de Algemene Kerkelijke Vergadering (A.K.V.), vergelijkbaar met de synode in de Evangelisch-Lutherse Kerk. De uitvoering van haar besluiten en de behandeling van de lopende zaken was de taak van de Algemene Kerkelijke Commissie (A.K.C.), vergelijkbaar met de synodale commissie in de zusterkerk. Een belangrijk verschil met de organisatie van de Evangelisch-Lutherse Kerk was de positie van de afzonderlijke gemeenten. Door het ontstaan van de herstelde gemeenten, die zich immers afzonderlijk bij de Amsterdamse gemeente hadden gevoegd, behielden zij een grotere zelfstandigheid dan de gemeenten in de zusterkerk. De A.K.V. en de A.K.C. behartigden alle zaken die tot het gehele kerkgenootschap behoorden, de plaatselijke aangelegenheden behoorden tot de competentie van de plaatselijke kerkelijke colleges (vgl. art. 3 van het algemeen reglement). Dit verschil speelde een rol bij de hereniging met de Evangelisch-Lutherse Kerk, die tot stand kwam in de jaren 1948 tot en met 1952. Voor zo'n belangrijk besluit, dat het gehele kerkverband aanging, moest de Algemene Kerkelijke Vergadering de kerkenraden van alle afzonderlijke gemeenten raadplegen. Zij ging zelfs zover, dat alle leden van de gemeenten de gelegenheid kregen zich uit te spreken voor of tegen de hereniging (zie inv. nr. 229).

De Algemene Kerkelijke Vergadering was samengesteld uit afgevaardigden van de verschillende gemeenten. Bij de invoering van het algemeen reglement waren dat zeventien personen, van wie er negen predikant en acht gemeentelid waren: Amsterdam leverde twee predikanten en zes gemeenteleden, de buitengemeenten zeven predikanten en twee gemeenteleden. De vergaderingen werden eenmaal per jaar te Amsterdam gehouden. In buitengewone gevallen kon de Algemene Kerkelijke Commissie een extra vergadering van de A.K.V. bijeenroepen. De A.K.C. bestond uit zeven personen: vier afgevaardigden van Amsterdam, waaronder twee predikanten, en drie afgevaardigden van de buitengemeenten, bij voorkeur predikanten.

Voor de opleiding van haar predikanten beschikte het kerkverband over een eigen kweekschool, ook wel seminarium genoemd: zie inv. nr. 189.

Dit archief bevat veel stukken over de afzonderlijke gemeenten, hetgeen voor de geschiedschrijving van deze gemeenten van belang kan zijn: zie bijvoorbeeld de inv. nrs. 102 tot en met 178. Ook de andere archivalia kunnen gegevens over de plaatselijke gemeenten opleveren. De Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk hield in 1952 op te bestaan door hereniging met de Evangelisch-Lutherse Kerk. Aan de hereniging zijn vele pogingen voorafgegaan. De eerste onderhandelingen vonden plaats in de jaren 1819 tot en met 1821, maar deze leidden niet tot het gewenste resultaat. Vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw ontstond een briefwisseling tussen de hoogste besturen van de beide lutherse kerkverbanden over zaken van gemeenschappelijk belang (zie de inv. nrs. 218 en 219). Omstreeks 1855 stelden zij een verbroederingscommissie in om tot vereniging te komen (zie de inv. nrs 220 t/m 224). Men heeft jarenlang vergaderd, doch ook nu weer zonder enig resultaat. De commissie is in 1892 opgeheven. Vanaf 1928 tot na de Tweede Wereldoorlog zijn opnieuw pogingen ondernomen om tot hereniging te komen (inv. nrs. 225 t/m 229). Deze kunnen in drie perioden worden ingedeeld: het overleg tussen 1928 en 1934, de besprekingen tussen 1940 en 1942 en de onderhandelingen in de jaren 1945 tot en met 1952. Bij alle drie pogingen ging het initiatief uit van de hersteld-lutherse kerk, maar in die kring waren dan ook wel de meeste weerstanden te overwinnen. De eerste twee pogingen eindigden in een negatief resultaat als gevolg van besluitvorming in de Algemene Kerkelijke Vergadering, waarbij het bestaan van een vrijzinnige richting in de Evangelisch-Lutherse Kerk een belangrijke rol speelde. De onderhandelingen na de Tweede Wereldoorlog resulteerden uiteindelijk tot de gewenste kerkvereniging. Dit lukte pas na moeizame besprekingen en een ernstig conflict bij de herstelden. Het conflict, dat in de jaren 1946 tot en met 1948 vooral in de Amsterdamse gemeente speelde, ging over het al dan niet fuseren met de Evangelisch-Lutherse Kerk. Het Amsterdamse College van Vertegenwoordigers (toezichthouder over de andere colleges in de Amsterdamse gemeente) en de voorzitter van de Algemene Kerkelijke Vergadering, ds. B. E. J. Bik, waren felle tegenstanders van de hereniging. De strijd tussen voor- en tegenstanders leidde tot onverkwikkelijke situaties en rechtszaken, die regelmatig de landelijke en kerkelijke pers haalden. Na de afzetting in 1948 van dominee Bik, die tevens voorzitter van de Algemene Kerkelijke Vergadering was, kwamen de onderhandelingen met de Evangelisch-Lutherse Kerk weer op gang. De hereniging vond plaats in januari 1952.

Het archief van dit kerkgenootschap vormde naar alle waarschijnlijkheid een geheel met de archieven van de Hersteld Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam. De archieven van de Amsterdamse gemeente zijn in de jaren vijftig van de vorige eeuw geïnventariseerd door mr. J. H. van den Hoek Ostende. Uit de inventaris van de Amsterdamse archieven (archief nummer 190) blijkt, dat een klein aantal stukken van het landelijke kerkgenootschap is achtergebleven in het plaatselijke archief. Het gaat vooral om archiefstukken betreffende de zendingsarbeid: zie hiervoor de 'Inventaris van de archieven der Hersteld Evangelisch-Luthersche Gemeente te Amsterdam, 1791-1952', met name de inventarisnummers 1017 tot en met 1041, die gedeeltelijk het zendingswerk van de Amsterdamse gemeente betreffen, maar deels ook het landelijke zendingswerk. Dit verklaart dat in het archief van het landelijke kerkgenootschap zo weinig stukken over de zending te vinden zijn, slechts de inventarisnummers 233 en 234. Geraadpleegde bronnen:

  1. Mr. J. H. van den Hoek Ostende, Inventaris van de archieven der Hersteld Evangelisch-Luthersche Gemeente te Amsterdam, 1791-1952. Amsterdam 1957.
N.B.: De inleiding van deze inventaris is van belang voor een goed inzicht in het ontstaan en functioneren van de Amsterdamse herstelde gemeente, de hoofdgemeente van de fraterniteit.

  1. Paul Estié, Van afgescheiden gemeente tot kerkgenootschap. Geschiedenis van de Hersteld Evangelisch-Luthersen in Amsterdam, 1791-1836. Hilversum 2007.
N.B.: Deze grondige studie geeft niet alleen de geschiedenis van de Amsterdamse gemeente, maar ook de geschiedenis van de totstandkoming van het landelijke kerkgenootschap tot aan de invoering van het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hersteld Evangelisch Luthersche Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Archiefvormer

Hersteld Evangelisch-Luthers kerkgenootschap; algemene kerkelijke commissie
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.