30843: Archief van de Universiteit van Amsterdam; Zoölogisch Museum en het Instituut voor Systematiek & Populatiebiologie

Dit archief is niet geïnventariseerd en alleen op afspraak raadpleegbaar.

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30843

Periode:

1877 - 2010

Inleiding

Verantwoording bewerking archief Zoölogisch Museum Amsterdam

  1. Institutionele geschiedenis
1.1 Organisatorische inbedding binnen de Universiteit van Amsterdam

Het Zoölogisch Museum Amsterdam maakte onderdeel uit van de biologische wetenschappen. Deze werden vanaf de oprichting van de Universiteit van Amsterdam in 1877, naast andere natuurwetenschappen, beoefend in de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen. De faculteit was vanaf ongeveer 1960 decentraal georganiseerd: aanvankelijk opgedeeld in secties, vanaf ongeveer 1968 in subfaculteiten, waaronder de subfaculteit Biologie. In 1987 werd de faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen opgeheven; de subfaculteit ging verder als Faculteit der Biologie. In 1997 werden de afzonderlijke bètafaculteiten weer samengevoegd in de Faculteit der Wiskunde, Natuurwetenschappen en Informatica (FNWI).

In de periode van 1968 tot 1972 werd de Subfaculteit der Biologie bestuurd door de hoogleraren, vanaf 1972, met de invoering van de Wet Universitaire Bestuurshervorming, door een Subfaculteitsraad, waarin nu ook studenten, overig wetenschappelijk personeel en niet-wetenschappelijk personeel vertegenwoordigd waren. Daarnaast bestond er een dagelijks bestuur. Na de oprichting van de Faculteit der Biologie bleef deze bestuursstructuur bestaan. Onderzoek en onderwijs waren vanaf 1972 georganiseerd binnen vakgroepen, waarvan de bestuursstructuur een kopie was van die van het subfaculteits- en faculteitsbestuur. Onderzoek werd ook verricht in vele laboratoria en instituten. En verder in de Hortus Botanicus en het Zoölogisch Museum. De laatste twee instellingen kenden een veel oudere oorsprong: de hortus werd in 1682 opgericht, het museum kent zijn oorsprong in de collecties niet levende dieren van het in 1838 opgerichte Koninklijk Genootschap Natura Artis Magistra (zie hieronder). De overige instellingen bestonden ook al ver voor 1972. Aanvankelijk waren deze instellingen alle gehuisvest in de Plantagebuurt, in en om de dierentuin 'Artis' en de Hortus Botanicus. Vanaf 1960 verplaatsten de activiteiten zich meer en meer naar de Watergraafsmeer, rond de Kruislaan. Het Zoölogisch Museum bleef in de Plantagebuurt. 1.2 Korte geschiedenis en inrichting van het Zoölogisch Museum Amsterdam

De basis voor het Zoölogisch Museum werd in 1838 gelegd met de oprichting van het Genootschap ‘Natura Artis Magistra’: de natuur als leermeesteres van kunst en wetenschap. Aanvankelijk opgezet voor de welgestelde burgerij, die tegen een achtergrond van exotische dieren lezingen, demonstraties en concerten konden volgen. De eerste verzameling van Artis bestond uit een kabinet van ‘levenloze’ dieren. Al snel kwamen er levende dieren bij. Hoewel de directie van het genootschap streefde naar het tonen van levende dieren, werden de meeste hiervan niet oud en al gauw was het aantal opgezette dieren groter dan het aantal levende. Het museum werd ingericht naar voorbeeld van de grote hal van het Natuurhistorisch Museum in Parijs. Het Groote Museum kwam gereed in 1850. Ook schenkingen vonden er onderdak en natuurhistorisch materiaal dat via handelaren werd aangekocht. Het Groote Museum toonde vooral exotische dieren, weinig ‘gewone’ dieren uit Nederland. Tussen 1885 en 1894 werd daarom binnen Artis het Faunamuseum opgezet. Hier werden zoveel mogelijk Nederlandse soorten tentoongesteld, vooral bedoeld voor educatie aan scholieren. In 1877 werd het Atheneum Illustre omgevormd tot de Gemeentelijke Universiteit, de latere Universiteit van Amsterdam. In dat jaar werd een contract afgesloten tussen de Gemeente en Artis over het geven van Hoger Onderwijs. Het aantal studenten breidde sterk uit, en er werden nieuwe leerstoelen ingesteld. In 1882 opende in Artis het Aquariumgebouw, met speciaal voor de Gemeente Universiteit gereserveerde ruimten: hoogleraarkamers, een collegezaal en een museumruimte. Prof. dr. M.C.W. Weber, sinds 1883 buitengewoon hoogleraar Vergelijkende anatomie, de zoötomie en het zoölogisch deel der paleontologie, kreeg de dode dieren uit Artis tot zijn beschikking voor anatomische studie. In 1892 werden de collecties van Artis samengevoegd met die van de Gemeente en onder beheer van de Universiteit gesteld. Het Zoölogisch Museum Amsterdam is daarmee een feit. Weber werd de eerste officiële directeur van het Zoölogisch Museum. Tot 1968 was de hoogleraar tevens directeur van het museum.

Het Zoölogisch Museum legde zich toe op puur wetenschappelijke collecties, waarbij de nadruk lag op het vinden, beschrijven, benoemen en indelen van objecten. Weber zelf voegde belangrijk wetenschappelijk materiaal aan de collecties toe, deels van zijn reizen naar Zuid-Afrika en het Noordpoolgebied, maar vooral ook van de Siboga-expeditie naar Indonesië waaraan hij deelnam in 1899-1900. Weber werd in 1922 als directeur opgevolgd door prof. dr. L.F. de Beaufort. Als onderzoeker bleef Weber nog lange tijd actief, tot zijn dood in 1937.

Het Genootschap maakte een ernstige crisis door tijdens de economische recessie in de dertiger jaren. Om een faillissement af te wenden ontstond er zelfs het idee diverse zeldzame en zeer waardevolle uitgestorven soorten als de Reuzenalk en de Quagga te verkopen aan Amerikaanse musea. De geplande veiling werd geannuleerd toen de Gemeente Amsterdam en de Provincie Noord-Holland bij elkaar de gehele boedel van het Genootschap kocht op 28 augustus 1939. De terreinen, stallen en levende have werden van toen af voor 1 gulden per jaar verhuurd aan het Genootschap (waarbij de diergaarde Artis ontstond zoals wij die nu kennen), terwijl de overige gebouwen, de collecties dode dieren en de bibliotheek eigendom werden van de Gemeentelijke Universiteit. In 1949 werd directeur De Beaufort opgevolgd door prof. dr. H. Engel. Na de oorlog maakte het museum een enorme groei door, zowel in de collecties als door wetenschappelijke publicaties; die kon mede gebeuren door de uitbreiding van de wetenschappelijke staf, een uitbreiding die zelf weer het gevolg was van de enorme toename in studenten. Bovendien worden de collecties beter gehuisvest: het museum concentreerde zich geleidelijk aan in een kleiner aantal geschiktere gebouwen, na oorspronkelijk verspreid te zijn over ten minste 10 oude gebouwen voornamelijk in en rond de dierentuin.

De Gemeentelijke Universiteit werd in de jaren zestig een rijksuniversiteit, met directe financiering door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Hierbij werden de gemeentelijke zoölogische collecties rijkseigendom. Het rijk erkende het belang van de collecties en stelde speciaal geoormerkte gelden ter beschikking aan de UvA buiten het normale onderwijsbudget om het onderhoud van de wetenschappelijke collecties te waarborgen. In 1968 ging Engel met pensioen. De functie hoogleraar-directeur werd gesplitst: C.A.W. Jeekel werd directeur, J.H. Stock volgde Engel op als hoogleraar Systematische en geografische dierkunde.

In 1970 ging het Zoölogisch Museum een organisatorische eenheid vormen met de Vakgroep Bijzondere Dierkunde onder de naam Instituut voor Taxonomische Zoölogie (ITZ). Begin van de jaren ’80 komt het ITZ onder het totale budget van de subfaculteit Biologie te vallen. Deze zag zichzelf vooral als onderwijsinstelling, niet als een instelling die een wetenschappelijke collectie moest onderhouden. Voortaan werd het ITZ gefinancierd naar rato van het aantal studenten. Inmiddels had directeur Jeekel er voor gezorgd dat het ZMA geconcentreerd was in drie panden: Mauritskade 61, Mauritskade 57 en Plantage Middenlaan 64. In 1986 werd W. Los directeur. Hij was initiator en trekker van een aantal grote Europese netwerken van taxonomen. Vanaf 1993 werd het ITZ uitgebreid met Evolutionaire Plantkunde en Populatiebiologie en werd de naam van het instituut gewijzigd in Instituut voor Systematiek en Populatiebiologie (ISP). In 1998 werd het ISP met PPA uitgebreid tot Instituut voor Systematiek en Oecologie (ISO). In 2000 werd het onderdeel van het nieuw opgerichte Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED); het ZMA bleef hierbinnen wel een aparte eenheid. Directeur Los werd in 2004 opgevolgd door de entomologe S.A. Ulenberg. Vanaf 2007 werd de naam Zoölogisch Museum Amsterdam (ZMA) ook officieel weer gebezigd. Het ZMA was zeer geliefd bij studenten, de colleges gegeven door stafleden trokken veel belangstelling en het aantal van wetenschappelijke gepubliceerde artikelen was enorm. Het onderhoud van de collectie beperkte de ruimte in financiële middelen bestemd voor het instituut sterk. Door het gebrek aan financiën liep de totale staf geleidelijk terug en namen Quado-medewerkers de structurele taken over. De overgebleven collectie-beheerders werden vooral managers. Zij hielden toezicht op de voor wetenschappelijke collectie noodzakelijke werkzaamheden verricht door Quado-medewerkers en vrijwilligers. De stroom aan wetenschappelijke publicaties bleef lang aanzienlijk, maar werd voor een deel gedragen door bijdragen van vrijwillige medewerkers. Langzaam ontstonden er plannen om de collectie te gaan integreren met die van Naturalis en het Nationaal Herbarium, zodat er meer mogelijkheden zijn voor wetenschappelijk onderzoek en tentoonstellingen. In 2010 gebeurde dit uiteindelijk ook: het ZMA ging samen met de twee andere partijen op in het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit NCB Naturalis. In 2012 werd de naam gewijzigd in Naturalis Biodiversity Centre. Tijdschriften en periodieke uitgaven van het museum waren: Bijdragen tot de Dierkunde (vanaf 1848), Nederlands Tijdschrift voor de Dierkunde (1863-1884), The Amsterdam naturalist (1950), Beaufortia (1951-2004), Bulletin Zoölogisch Museum (1966-1999) en de serie Verslagen en Technische Gegevens (vanaf 1973). Het museum beheerde, naast de eigen ZMA bibliotheek, ook de bibliotheekcollectie van de Artis Bibliotheek, de bibliotheek van de Nederlandse Entomologische Vereniging, die van de Nederlandse Malacologische Vereniging en die van de Ornithologische Unie. Het boek “Duizend en meer verhalen op sterk water, 13 miljoen dieren Zoölogisch Museum”, van Ella Reitsma (Stg. Uitgeverij Noord-Holland, 2012) bevat een uitgebreide geschiedenis van het museum.

  1. Verantwoording van de inventarisatie van het archief
2.1 De bewerking

2001-2005

Het Zoölogisch Museum Amsterdam (ZMA) was een overheidsinstelling en archieven die het genereert vallen onder de Archiefwet van 1995. Daarin staat onder meer dat overheidsarchieven ouder dan 20 jaar in goede, geordende en toegankelijke staat dienen te worden overgebracht naar een openbare archiefbewaarplaats waar de Nederlandse burger ze vrij en kosteloos kan raadplegen. Bij de officiële overbrengingsverklaring van de archieven hoort een staat - het overzicht - van wat overgedragen wordt. De bewerking van het archief startte in 2001. Toen begon, om aan de Archiefwet te voldoen, onder aansturing van de DIV-afdeling van de UvA, een universiteitsbreed archiefproject waarin alle archieven van de UvA ouder dan 1997 in bovengenoemde staat werden gebracht. In het kader van dit project is, met tussenpozen, in de jaren 2002-2005 het archief van het ZMA bewerkt. Onderzoeksmateriaal werd in de deze eerste fase van dit archiefproject buiten beschouwing gelaten. In afwachting van overdracht stond het bewerkte archief in de toenmalige bewerkingsruimte van het project in het zogeheten IWO-gebouw naast het AMC in Amsterdam Zuidoost. Het archief van het ZMA maakt organisatorisch deel uit van de (Sub)faculteit Biologie. Het archief van deze faculteit is geïnventariseerd en bevindt zich in het Stadsarchief Amsterdam (toegangsnr. 5399).

Medio 2008 kwam aan het licht dat veel archieven van het ZMA nog waren achtergebleven in de gebouwen van het ZMA (Mauritskade 57, Mauritskade 61, Plantage Middenlaan 64). en in het depot van de Artisbibliotheek, die tot 2005 organisatorisch een onderdeel vormde van het ZMA. Vervolgens hebben medewerkers van de DIV, Gijs Sevenhuijsen en Marleen Christensen-Michel, de gebouwen van het ZMA en het depot van de Artisbibliotheek doorzocht om een bestandsopname te maken van al het aanwezige archiefmateriaal. Het resultaat was een bestandsopname, waarin ook het reeds bij het project bewerkt deel is opgenomen. Uit deze bestandsopname bleek dat het ging om een zeer omvangrijk maar tegelijk gefragmenteerd archief met een omvang van ca. 500 meter, over een periode van circa 1877 tot en met 2010. De fragmentatie hangt samen met een vertakte organisatie verspreid over meerdere gebouwen zonder een centraal archiefbeheer. In het verleden is er bovendien vaak verhuisd en zijn er vele organisatorische veranderingen geweest waardoor archiefbestanddelen werden opgesplitst door verdeling over verschillende afdelingen en/of doordat stukken achterbleven in een vorige behuizing. Verder hebben medewerkers uit oude bestanddelen archivalia gehaald voor eigen gebruik, zonder die terug te plaatsen. 2011-2012

In de periode maart 2011-februari 2012 werd het achtergebleven archiefmateriaal door Gijs Sevenhuijsen, Marleen Christensen-Michel en Mechteld Gravendeel (medewerkers van DIV), samen met de archiefvormers (medewerkers en oud-medewerkers van het museum) geselecteerd en beschreven. Collectiegebonden materiaal en werkarchieven werden, na beschrijving en materiële verzorging, verhuisd naar NCB Naturalis, Leiden (ca. 100 meter).

In de periode februari 2012-januari 2013 werkten Mechteld Gravendeel en Fleur van Groen (medewerkers van DIV) aan selectie en bewerking van archiefmateriaal van het museum dat om diverse redenen in het verleden in het depot van de Artisbibliotheek is terecht gekomen. Het materiaal heeft oorspronkelijk behoort bij het archief van het museum, maar is in de Artisbibliotheek is vermengd geraakt met documentatiemateriaal of met gedeponeerde zoölogische archieven die niet afkomstig zijn van het ZMA, en voor zover ze beschreven zijn is dat gebeurd zonder dat er rekening is gehouden met de oorspronkelijke context. Het ging om ongeveer 75 meter, in redelijk goede dozen verpakt, maar vaak nog wel in schadelijk hechtmateriaal gebonden.

Een belangrijk bestanddeel hiervan wordt aangeduid als het Siboga-archief. Het zijn archiefstukken die door Florence Pieters, voormalig bibliothecaris van de Artisbibliotheek, medio jaren tachtig zijn aangetroffen in een paar hutkoffers op de zolder van het Aquariumgebouw van Artis. De Hoogleraren-directeur van het museum hielden kantoor in dit gebouw, voor zover ze niet vanuit hun woning opereerden (Weber werkte vooral thuis in Eerbeek). Mevr. Pieters was op zoek naar materiaal van en over Weber omdat ze een proefschrift over hem wilde schrijven. Het materiaal uit de hutkoffers is vlak na de vondst professioneel beschreven door de heer V. van den Bergh, medewerker van het Algemeen Rijksarchief (ARA).

In de tweede helft van 2012 werd nog bewerkt een verzameling archivalia (ca. 20 meter) afkomstig van de voormalige Malacologische bibliotheek (Mauritskade 61). Ook hier was sprake van vermenging van archivalia met documentatie en gedeponeerde archieven. Bij de bewerking is gebruik gemaakt van de inventaris van het materiaal, opgemaakt door H. Brandenburg.

2.2 Omvang

Totale omvang van het onbewerkte archief kan worden geschat om ca. 500 meter. Ca. 250 meter kwam voor vernietiging of vervreemding in aanmerking. Totale omvang van het archief bedraagt ca. 250 meter, waarvan ca. 100 meter kon worden aangemerkt als collectiegebonden materiaal en/of werkarchieven. Deze 100 meter is om die reden in november 2011 overgebracht naar het Naturalis Biodiversity Centre te Leiden, maar wel opgenomen in de archiefinventaris (ZMA-nrs.).

2.3 Bestemming

Gedurende de gehele bewerkingstijd is nagedacht over de bestemming van het archief: Stadsarchief Amsterdam (bij het archief van de subfaculteit Biologie), NBC Leiden (bij de collectie van het voormalig ZMA) of Bijzondere collecties van de Universiteitsbibliotheek (bij de natuurhistorische boekencollectie in de Artisbibliotheek, lange tijd onderdeel van het ZMA). Archieven van de UvA worden formeel overgedragen aan het Noord-Hollands Archief in Haarlem, die de taak heeft archieven van rijksoverheidsinstellingen in Noord-Holland te beheren. Het Noord-Hollands Archief heeft in een convenant met de UvA vastgelegd dat de archieven van de UvA via langdurige uitlening beheerd worden door het Stadsarchief Amsterdam. Uiteindelijk is besloten het archief 'gewoon' onder te brengen bij het Stadsarchief Amsterdam.

Het collectiegebonden materiaal en de werkarchieven verblijven in langdurig bruikleen bij het NBC te Leiden. Enkele kleine collecties glasnegatieven zijn in digitale vorm ook aanwezig in de collectie van de Artisbibliotheek. Dit is aangegeven in de beschrijvingen van de betreffende inventarisnummers.

in juli 2016 werd enig materiaal uit de nalatenschap van J. Wattel aan het archief toegevoegd (inv.nrs. 661A, 639A, 2785A en 2769A). 2.4 Overige archieven en/of archiefmateriaal, opgenomen in het archief van het ZMA

Persoonlijk archiefmateriaal van M.W.C. Weber (1852-1937), met stukken uit zijn studietijd (universiteit van Bonn)

Archiefmateriaal van J.G. de Man (1850-1930)

Persoonlijk archiefmateriaal van Anna Antoinette Weber-van Bosse (1852-1942)

Archiefmateriaal van H.C. Redeke, en stukken van anderen gedeponeerd bij dit archiefmateriaal

Persoonlijk archiefmateriaal van Lieven F. de Beaufort

Archiefmateriaal van de Nederlandse Dierkundige Vereniging

Zuiderzeecommissie van de Nederlandse Dierkundige Vereniging (1928-1956)

Archief van het Genootschap Sillem/Van Marle

Persoonlijk archiefmateriaal van L.J.M. Kuiper

Persoonlijk archiefmateriaal van L.J.M. Butot

Persoonlijk archiefmateriaal van Dick Hillenius

Archief van de Werkgroep "Harmonische Bestrijding van Plagen" van TNO" vanaf 1967 "Geïntegreerde Bestrijding van Plagen"

Archief van de Commissie van Advies voor Natuurhistorische Musea

Archief van Stichting Natuurmonument De Beer

Archief van de Gemeentelijke Stichting Amsterdamse Schoolwerktuinen

Archief van de Onderzoekcommissie Artis

Archief van de Werkgemeenschap 'Systematische en evolutionaire zoölogie' (SEZ) van de Stichting voor Biologisch Onderzoek (BION) te Den Haag

Archief van Stichting P.A. Hens Memorial Fund

Archief van de Malacologische Contactgroep Amsterdam

Archief van de Werkgroep Amfibiën en Reptielen Nederland (WARN)

Archief van Expertisecentrum voor Taxonomische Identificatie (ETI)

2.5 Vervreemd archiefmateriaal (bij ZMA aangetroffen materiaal overgedragen aan derden)

Trekvlinderregistratie Nederland 1987-2003 (Rob de Vos): overgedragen aan SOVON

Archiefmateriaal NEV en Eliasen-Uyttenbogaart Stichting: overgedragen aan Nederlandse Entomologische Vereniging

Archiefmateriaal van de Afdeling Psychologie en Ethologie der Dieren (Kortlandt, waargenomen door Stock): opgenomen in archief Subfaculteit Biologie (Stadsarchief Amsterdam, archiefnr. SAA 5399)

Glasnegatieven prof. Rutten, Geologisch Instituut Utrecht, betreft Nederlandse vogels, maar ook foto's van paddestoelen etc., met info in de kistjes en op de rand van de glasnegatieven: overgedragen aan UvA, UB, Bijz. Collecties, Artisbibliotheek

Archiefmateriaal van de Commissie voor Internationale Natuurbescherming en de Van Tienhoven Stichting: opgenomen in archief van de Commissie voor Internationale Natuurbescherming (Stadsarchief Amsterdam, archiefnr. SAA 1283)

Foto's en glasnegatieven van diverse landschappen Nederland, Antillen etc., met lijstje van inhoud: overdragen aan UvA, UB, Bijz. Collecties, Artisbibliotheek

Archiefmateriaal van P.H. Schalk, in dienst van het Alfred-Wegener-Institüt für Polar- und Meeresforschung te Bremen: overgedragen aan Peter Schalk

Archief van de Stichting ter Bevordering van de Nederlandse Oceanografie, vanaf oktober 1995 stichting ter bevordering van natuurwetenschappelijk onderzoek (SBNO): overgedragen aan SBNO/Joke Bleeker

Archief van de Natuurwetenschappelijke Studiekring voor het Caraïbisch Gebied: overgedragen aan Nationaal Archief

Archiefmateriaal NJN en van Dick Hillenius als lid van de NJN: opgenomen in archief van de NJN (IISG)

Archiefmateriaal van het Zoölogisch Laboratorium: opgenomen in archief van de Subfaculteit Biologie (Stadsarchief Amsterdam, archiefnr. SAA 5399)

Archiefmateriaal van de Nederlandse Malacologische Vereniging (NMV): overgedragen aan NMV

Archiefmateriaal van het Mollusken Comité NMV: overgedragen aan NMV

Archiefmateriaal van H. Koller, conservator Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra: opgenomen in het archief van Artis (Stadsarchief Amsterdam, archiefnr. SAA 395)

Vogelwaarnemingen: overdragen aan diverse instanties

Archief van J.H. Becking: overgedragen aan NCB Naturalis, Leiden

Archief van H.J.V. Sody: overgedragen aan NCB Naturalis, Leiden 2.6 Archiefbewerkers

Aan de bewerking van het archief hebben meegewerkt Fons van der Meer, Menno Polak, Gijs Sevenhuijsen, Marleen Christensen-Michel, Fleur van Groen en Mechteld Gravendeel, en incidenteel andere medewerkers van de DIV-afdeling van de UvA.

Archiefvormer

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.