30284: Archief van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30284

Periode:

1846 - 2002

Inleiding

Op 16 december 1847 werd in het gebouw Odeon aan de Singel te Amsterdam de oprichtingsvergadering gehouden van de “Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging”, de vergadering werd voorgezeten door de heer E. Sillem. Binnen een maand verklaarden 254 Amsterdammers zich akkoord met het plan om een zeil-en roeivereniging op te richten. Op deze vergadering benoemde men een commissie uit zeven leden bestaande, om statuten voor de nieuwe vereniging op te stellen. De statuten werden op de vergadering van 31 juli 1848, gehouden in de grote zaal van het Collegie Zeemanshoop vastgesteld. Op de zelfde vergadering besloot men dat de vereniging de naam zou dragen van de “Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging”. De vereniging had tot doel “om de lust tot het geen met het zeewezen in betrekking staat op te wekken en aan te moedigen en om jonge lieden te gewennen goed en handig met roei- en zeilvaartuigen om te gaan”. Men probeerde onder andere dit doel te bereiken door jaarlijks een roei- en zeilwedstrijd te organiseren.

Op 24 augustus 1848 besloot men aan Koning Willem II het beschermschap van de vereniging aan te bieden, gelijkertijd werd het erelidmaatschap aangeboden aan de prinsen van Oranje Hendrik en Frederik en aan een viertal “hooggeplaatste personen”. De Koning ging welwillend in op het verzoek en werd zo de beschermheer van de vereniging. De beide prinsen namen het erelidschap evenzeer aan, evenals de vier notabelen. Na het overlijden van Willem II in 1849 aanvaardde Koning Willem III het ere-voorzittersschap van de vereniging.

De eerste wedstrijd van de Nederlandse zeil- en Roeivereeniging vond plaats op het IJ op de laatste dag van september 1848. Prins Hendrik nam ook deel aan de wedstrijden hij roeide mee met de vierriemsgiek “de Eersteling” en zeilde met zijn schoener “No 1”. Het stedelijk bestuur van Amsterdam droeg bij aan het succes van die wedstrijddag door een ruime subsidie te verlenen aan de vereniging.



Slechts met enkele onderbrekingen werd dit feest jaarlijks gehouden op het IJ, totdat men in 1894 de roeiwedstrijd naar de Amstel overbracht. Vanaf 1937 werd deze wedstrijd gehouden op de Bosbaan in het Amsterdamse Bos. De zeilwedstrijden hield men de traditie getrouw tot ongeveer 1914 op het IJ en wel op 31 augustus. Maar van 1875 af werden de zeilwedstrijden ook gehouden op de “Zuiderzee”, aanvankelijk op bescheiden schaal, later werden deze wedstrijden veel grootser. De aldaar gehouden wedstrijden waren onder andere korte baan wedstrijden, tweedaagse lange afstandwedstrijden, navigatiewedstrijden waarbij ook ‘s nachts gevaren moest worden en later ook wedstrijden voor motorboten. Gaande weg organiseerde de vereniging deze wedstrijden voor allerlei typen vaartuigen.

Bij Koninklijk Besluit van 9 april 1852, no. 63 werd de vereniging koninklijk. Zij mocht in de standaard en vlag van de vereniging de Koninklijke Kroon en ’s Konings naamcijfer voeren. De vereniging werd vanaf die tijd vaak aangesproken met de erenaam de “Koninklijke”. In de tweede wereldoorlog verbood de Duitsers de vereniging het predicaat de “Koninklijke” te voeren en te gebruiken. Op de officiële papieren van de vereniging van 1942, was de naam “Koninklijke” doorgehaald. In 1943-1945 kwam op de officiële papieren de naam “Koninklijke” niet meer voor. Na de bevrijding gebruikte men een stempel om de volledige naam van de vereniging weer te geven. Een zeer belangrijk werk verrichtte de vereniging in de eerste jaren van haar bestaan met de oprichting van het “Matrozen Instituut”. Met dit instituut riep men een stichting in het leven dat als doelstelling had het opleiden van jonge mensen tot matroos voor de koopvaardijschepen. De statuten van het instituut stelde men op de vergadering van de vereniging van 16 april 1849 vast. Dankzij vooral deze werkzaamheden van de vereniging rondom dit instituut gaf Koning Willem III aan de vereniging het predicaat “Koninklijke”. Deze werkzaamheden van het Matrozen Instituut richtte zich vooral op de bevolkingsgroep van “arme jonge jongens”. Door deze “kansarme” jongeren beter op te leiden kregen zij meer kans op de arbeidsmarkt.

Een andere belangrijke activiteit in de begin tijd van de vereniging was het organiseren in 1853 van een grote tentoonstelling op het gebied van de scheepvaart en scheepsbouw in het gebouw Felix Meritis te Amsterdam; het betrof de eerste tentoonstelling op dit gebied in Nederland. Het initiatief voor deze tentoonstelling kwam van Koning Willem III. Het was een internationale tentoonstelling en het werd een groot succes, alleen voor de kas van de vereniging ging dat niet op, zij leed verlies.

De vereniging had ook grote verdienste op het terrein van het tot stand komen van allerlei watersportorganisaties. Door de bindende kracht van de vereniging ontstonden onder voorzitterschap van het bestuur van de vereniging in 1855 de “Verbonden Nederlandsche Roeivereenigingen” en in 1890 de “Verbonden Zeilvereenigingen van Nederland en België “. Na 1920 ging dit Verbond verder zonder de Belgen. De vereniging werd door deze activiteiten de “leidsvrouw” van deze jonge verenigingen en ze werd door de andere verenigingen aangesproken met de titel de “Voorzittende Vereeniging”. Beide verbonden groeide gestaag onder andere door de aansluiting van steeds meer verenigingen. In 1917 ging de verbonden roeivereniging over tot de vorming van de “Nederlandse Roeibond”. Door een wijziging in 1946 van de statuten van de “Koninklijke Verbonden Nederlandse Watersportverenigingen” kwam een einde aan de voortrekkersrol van de vereniging en trad zij af als “Voorzittende Vereeniging”. Zij had gedurende 56 jaren dit voorzitterschap bekleed. Een door de aangesloten verenigingen gekozen bestuur nam nu de leiding van het Verbond op zich.

De vereniging had oorspronkelijk haar jachthaven aan de Westerdoksdijk. Na 1918 moest zij daar weg omdat er een binnenscheepshaven moest komen. Vanaf die tijd werd van het Rijk het terrein tussen de toeleidingskanalen van de Willemssluizen gepacht. Dat terrein was op dat moment nog onbereikbaar land. Hier ontstond een jachthaven die de naam de Sixhaven kreeg. Door de aanleg van de IJ-tunnel moest de Koninklijke opnieuw verhuizen en op 1 mei 1953 vond de opening plaats van de jachthaven in Muiden. De huidige ligplaats in de “Buyshaven” te Enkhuizen kon in 1977 betrokken worden. “Oude liefde roest niet; wanneer reeds jong de liefhebberij voor de watersport bijgebracht wordt, kan het niet uitblijven dat zowel de watersport in het algemeen als het welzijn van onze vereeniging in het bijzonder daardoor gebaat zal worden” aldus een citaat uit het jaarboekje van 1924. Vanaf 1923 was het mogelijk om jeugdlid te worden van de vereniging. En in 1925 werden er drie jeugdsloepen aangeschaft. Met deze sloepen werd instructie gegeven aan de jeugdleden op het IJ. In 1937 vond de instructie ook plaats op de Nieuwe Meer en in 1941 ook op de Westeinderplas in Aalsmeer. Vanaf 1938 werden er zeilkampen georganiseerd voor jongens en meisjes. Tot circa 1954 werden deze zeilkampen gehouden. Pas in 1962 gebeurde in de vereeniging weer wat op het terrein van het jeugdzeilen. Er werd een stichting opgericht met de naam “Stichting tot bevordering van het zeilen op Wijd Water door jongeren”. De algemene doelstelling was een aantal schepen te laten bouwen met voldoende zeewaardigheid en deze ter beschikking te stellen van jongeren. Velen jongeren hebben hier van geprofiteerd. Allerlei tochten werden gemaakt met deze schepen vaak ook in samenwerking met andere verenigingen. In 1983 begon men om kinderen spelenderwijs met het varen en zeilen vertrouwd te maken. En zo ontstond de jongste categorie van leden de “Heintjes”. De organisatie van dit gebeuren geschiedde door de Commissie de Heintjes.

Pollux

Artikel 2 van de Wet van de vereniging, later de statuten genoemd, ging onder ander over het bevorderen van de oprichting en aanmoediging van een nationale matrozenstand. Een commissie werd gevormd om aan dat doel vorm te geven. De commissie ging voortvarend aan de slag en op de vergadering van de vereniging van 16 april 1849 werden de conceptstatuten besproken en vastgesteld. In de statuten van de inrichting onder het artikel 1 werd de naam die de inrichting ging voeren: Matrozen Instituut van de Nederlandse Zeil- en Roeivereniging. Het Matrozen Instituut werd door de vereniging in leven geroepen om de opleiding van jongeren tot matroos vorm te geven. De doelstelling was “jonge lieden op te leiden en te bekwamen tot matrozen voor de koopvaardij, en de lust daartoe zooveel mogelijk aan te moedigen”. Het eerste jaar van de opleiding waren er 82 jongens ingeschreven. Het onderwijs werd gegeven aan boord van het opleidingsschip. Het moest zich bepalen tot “scheepswerk in het algemeen, zoo als met de boot omgaan, roeijen, water en proviand halen, splitsen, knoopen, zeilenmaken, koffijzakken naaijen, en in het verkrijgen van kennis der benaming van de onderscheidene deelen der tuinagie”.

Het bestuur van het Instituut bestond uit vijf tot maximaal 7 commissarissen en zij werden benoemd door het bestuur van de Zeil-en Roeivereniging. De commissarissen bepalen en regelen met behulp van het huishoudelijk reglement alle werkzaamheden zowel aan boord van het schip als onderling. Er werd ook een rooster van aftreding van commissarissen vastgesteld. Het personeel aan boord van opleidingsschip werden door de commissarissen benoemd en ontslagen. Het ministerie van Marine, onder toestemming van Koning Willem III stond kosteloos het afgekeurde transportschip Dordrecht af om als instructievaartuig te dienen en werd in juli 1849 in dienst gesteld. De kosten die verbonden waren aan de exploitatie van het schip en het Matrozen Instituut werden opgebracht door leden en sympathisanten van de vereniging, door middel van giften en bijdragen. In 1861 voldeed het schip Dordrecht niet meer optimaal en werd het opgevolgd door de Venus, wederom ter beschikking gesteld door het ministerie van Marine. De tuigage van de Venus verouderde in de loop van de tijd, het verkrijgen van een meer eigentijds getuigd schip werd het nieuwe streven. De zeilkorvet Ajax voldeed daar aan en werd ter beschikking gesteld, in 1882 opgevolgd door de brik Zeehond die op haar beurt in 1913 opgevolgd werd door de Pollux. Toen ook dit schip in 1940 te oud werd was er geen buiten dienst gesteld zeilvaartuig meer ter beschikking. Ondanks de ouderdom van het schip werd op 14 februari 1941 de oude Pollux door de Duitsers weggesleept.

Een ander schip was hard nodig. De vereniging besloot om een nieuw schip te laten bouwen. Met financiële hulp van de Amsterdamse rederijen en de overheid werd op 19 september 1940 de Pollux II te water gelaten. De Duitsers konden ook dit schip niet met rust laten, Pollux II werd in 1944 door hen geconfisceerd. In 1945 kwam het schip weer terug in het bezit van de vereniging. Het schip moest, voordat het weer gebruikt kon worden, naar de werf Verschure gebracht worden om het te laten repareren. Op 29 april 1946 werd de ligplaats aan het Oosterdok weer ingenomen door de Pollux II. Het opleidingsschip werd tenslotte in 1988 door de Lagere Zeevaartschool Pollux om niet in bruikleen gegeven aan de stichting Beheer Internaat Pollux en herbergt dan een middelbare zeevaartschool Op 27 augustus 1990 werd de Pollux aan de genoemde stichting verkocht voor fl. 1, -. De vlag van de Koninklijke Vereeniging werd toen neergehaald. In dat jaar ging het Matrozen Instituut als opleidingsinstituut in het kader van de herschikking van het onderwijs over in het IJmond College in IJmuiden.

Het matrozen Instituut had succesvol jarenlang aan veel jongeren de kans gegeven om een goede opleiding tot matroos te verkrijgen. De aantrekkelijke combinatie van huisvesting, voeding en opleiding op het schip was een van de redenen voor dit succes.

Om conflicten te voorkomen moesten de verhoudingen tussen het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Zeil- en Roeivereeniging en het bestuur van het Matrozen instituut goed geregeld worden. De vereeniging had en heeft een zelfstandig bestaan als rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer en in het rechtsverkeer. Dat betekende dat het Matrozen instituut, zijnde een deel van de vereeniging eenzelfde rechtspersoonlijkheid had. Het hoogste orgaan binnen de vereniging is de Algemene Ledenvergadering. Daaronder, in formele zin, staat het bestuur van de vereniging. Tenzij anders bepaald, had het bestuur van de vereniging ook bestuursbevoegdheid over het Matrozen Instituut. Vanaf het begin werd gesteld dat het Matrozen Instituut een eigen bestuur moest hebben, omdat een specifieke deskundigheid vereist was voor het besturen van de school en van het internaat. Vandaar dat er een bestuur werd gecreëerd dat bestond uit “Commissarissen”. Tussen deze commissarissen en het bestuur van de vereniging bestonden afspraken, vastgelegd in de statuten van het Matrozen Instituut en eventueel in afzonderlijke reglementen, met als gevolg dat voor bepaalde handelingen van de commissarissen goedkeuring vereist was van het verenigingsbestuur. In enkele gevallen was de goedkeuring nodig van de Algemene Ledenvergadering omdat de “Wet” geen delegatie van bevoegdheid had toegepast naar het verenigingsbestuur betreffende deze zaken.

Archief

In september 2007 had de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging (KNZ&RV) circa 39 meter archiefmateriaal overgedragen aan het Stadsarchief Amsterdam. Het archief beloopt de periode van de oprichting van de KNZ&RV in 1847 tot het jaar 2002. Het archief was verpakt in zuurvrije archiefdozen, in verhuisdozen en in drie metalen blikken. Een niet onbelangrijk onderdeel van dit archief bestaat uit de aanwezigheid van archiefstukken over het Matrozen Instituut, later de Lagere Zeevaartschool Pollux genoemd. Dit archief beslaat de periode 1847-1993.

In 1931 werd een gift van de heer E. Crone van fl. 500,- besteed aan een verbouwing van het secretariaat in de Sixhaven ten behoeve van het doelmatiger inrichten van het archief. Op het eind van dat jaar werd ook begonnen met het herordenen van het archief door mensen van buiten de vereniging. In 1963, een verhuizing is gepland, pleegde dezelfde heer Crone een onderzoek naar de stand van zaken van het archief. In een schrijven aan de voorzitter had hij het over “wij zijn nu dicht aan de chaos en ter wille van het gemak willen velen het belang niet zien en zij gooien maar weg”. De heer Crone concludeerde; “Die chaos komt zeker bij het voortduren van het gebrek aan beleid en toezicht”. Een gedeelte van het archief verhuisde naar de zolder van de NV Crone aan de N.Z. Voorburgwal te Amsterdam. Een viertal jaar later werd het archief overgebracht naar de jachthaven Muiden. In een aparte ruimte grenzend aan het kantoor van de secretaris van de vereniging was plaats gemaakt voor het archief. Ook in de nieuwe zeilloods werd een gedeelte van het archief ondergebracht. De heer Keesom, de secretaris van die tijd, schreef in een brief aan de heer Crone dat beide opslagplaatsen veilige ruimtes zijn voor het archief. Hij schreef verder “ik kan u verzekeren, dat alle brieven, documenten etc. betreffende de Koninklijke door mij met alle respect behandeld worden. In deze ben ik zo behoudend, dat ik wellicht te veel papieren aanhoud”.

De oorlogsjaren 1940-1945 waren moeilijke jaren voor de vereniging. De Sixhaven was gesloten en verboden terrein geworden en op het IJsselmeer mocht niet meer gevaren worden. De Grote Club op de Dam waar de bijeenkomsten van de vereniging waren, werd ook gesloten. De Duitsers vorderden veel vaartuigen van de leden van de vereniging. De draakjachten werden bijvoorbeeld gevorderd om Hitler’s piloten te belonen voor hun heldendaden. Het kantoor van de vereniging was gevestigd in een klein kamertje in het kantoorgebouw van de NV Crone, daar probeerde de secretaris de vereniging overeind te houden.

In 1996 bevond het archief van de vereniging zich al ruim 10 jaar in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam, de vereniging had het in bruikleen afgestaan. Het museum heeft echter geen archieffunctie en verzocht daarom de vereniging het archief te schonen en toegankelijk te maken of het terug te nemen. Dit overgebrachte archief is vanaf 1847 minutieus bijgehouden en beslaat tot het jaar 1986, 43,5 strekkende meters. Het archief was keurig op jaar gearchiveerd maar volkomen ontoegankelijk als het jaartal onbekend is. De vereniging wilde de eis van het museum graag inwilligen en ook het 150-jarig bestaan van de Koninklijke in 1997 was een belangrijke aanleiding om het archief toegankelijker te maken. Het bestuur besloot een archiefcommissie op te richten. Er werden twee werkgroepen geformeerd die op twee dagdelen aan de slag gaan om het archief te schonen en te herordenen. In november 2000 werd de afsluiting van het archiefproject gevierd onder het genot van een feestelijke borrel met maaltijd op de Sociëteit te Muiden. Het hoogtepunt van de avond was de uitreiking van de inhoudsopgave van het archief. Onderhavige inventarisatie

De vereniging had het grootste gedeelte van het archief geordend op lijsten van codes en de indeling was gemaakt naar onderwerp en op het andere gedeelte van het archief was een plaatsingslijst gemaakt. Een gedeelte van het verenigingsarchief werd aangeleverd aan het Stadsarchief in een aantal verhuisdozen en in een tweetal blikken. De archiefstukken die hier in zaten waren dossiers verpakt in omslagen en bevatte verder een aantal delen en banden. Op dit deel van het archief was een plaatsingslijst gemaakt en deze besloeg de periode 1847-1951. De rest van archief was verpakt in stofmappen en opgeborgen in staande Amsterdamse archiefdozen. Dit gedeelte van het archief was in drie periodes onderverdeeld en op elke periode was een codelijst naar onderwerp aanwezig. Het archief van Matrozen Instituut was ook opgeborgen in verhuisdozen, archiefdozen en in één blik. De ordening van dit archief was ook door middel van een codelijst naar onderwerp en een plaatsingslijst uitgevoerd. Een vermenging van archiefstukken van beide archieven is nauwelijks voorgekomen.

De huidige inventarisatie leidt tot een logische, gestructureerde inventaris van het archief met de beschrijvingen van de aanwezige archiefstukken. De dossiers worden voorzien van een uniek nummer. De huidige ordening van dit archief in vier onderdelen, periodes, verdwijnt en wordt vervangen door een samenhangende inventaris. Het archief van het Matrozen Instituut is in deze inventaris ondergebracht in de rubriek ‘gedeponeerde archieven’. De nummering van deze archiefstukken sluit aan bij de nummering van het verenigingsarchief. Zodat er een doorlopende nummering van het totale archief ontstaat.

De te bewaren archiefbescheiden zijn volgens de huidige normen materieel verzorgd. Metalen hechtmechanieken, nietjes, paperclips en plastic zijn verwijderd. De dossiers zijn nu verpakt in zuurvrije omslagen en daarna opgeborgen in liggende Amsterdamse archiefdozen.

De inventarisatie startte met dat gedeelte van het archief waarop door de vereniging een plaatsingslijst was gemaakt. Daarna werd de inventarisatie voortgezet door dat gedeelte van het archief dat in drie periodes was onderverdeeld, gelijktijdig te beschrijven. De codelijsten van deze periodes werden de leidraad voor de beschrijvingen. Na deze beschrijvingen werd het archief van het Matrozen Instituut aangepakt.

De archiefstukken die naar hun aard behoren tot het archief van de vereniging of tot één van de gedeponeerde archieven werden dan ook daar naar toe overgebracht.

Tijdens de inventarisatie kwamen er ook stukken te voorschijn die retour naar de vereniging kunnen. Van deze stukken is een lijst gemaakt. Stukken die geen raakvlak met de vereniging hebben, circulaires, brochures en dubbelen behoren tot deze categorie. De twee verhuisdozen met clichés zijn niet opgenomen in de inventaris en de vereniging heeft deze voorwerpen terug genomen evenals dubbele delen van de jaarverslagen.

Het archief van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging heeft een lengte van ongeveer 33 meter.

Beperkingen aan de openbaarheid

Archieven berustende in de archiefbewaarplaatsen van de overheid (de zogenaamde openbare archiefbewaarplaatsen) zijn in principe openbaar. Een aantal dossiers heeft echter, in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een tijdelijke openbaarheidbeperking gekregen.

Archiefvormer

Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.