30165: Archief van de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling en rechtsvoorganger

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30165

Periode:

1957 - 2010

Inleiding

Ontstaan en Oprichting

De Amsterdamse Raad voor de Stedebouw (hierna ARS genoemd) werd op 10 oktober 1957 op initiatief van het gemeentebestuur geïnstalleerd (verordeningen: gemeentebladen 1957 afd. 3 nr. 92, 1970 afd. 3 nr. 102, 1981 afd 3 nr. 94, 1988 afd1 nr. 1288)

De raad werd opgericht omdat het toenmalige gemeentebestuur naar een weg zocht om organisaties, instellingen en individuele burgers gezamenlijk te betrekken bij de planologische beleidsvorming.

Burgemeester en Wethouders verklaarden bij de oprichting het gewenst te achten "bij de voorbereiding van principiële beslissing op het gebied der stadsontwikkeling, personen uit de burgerij te betrekken, van wie mag worden aangenomen, dat zij door werkkring en belangstelling een oordeel over de kernproblemen van de stedenbouw kunnen geven". De Raad zou dienen als gesprekspartner bij de wederopbouwplannen van de gemeente Amsterdam.

Aanvankelijk werd de raad vooral gezien als een gespreksgroep, advisering kwam pas op de tweede plaats. Steeds meer echter ontwikkelde de ARS zich echter tot een onafhankelijk stedebouwkundig adviesorgaan, dat naast de door haar uitgebrachte adviezen ook door middel van bijvoorbeeld symposia bijdroeg aan de gedachtevorming over stedebouwkundige problematiek. Eind jaren 1960, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen, nam ook de onvrede in de raad steeds meer toe, bijvoorbeeld met betrekking tot plannen voor de Nieuwmarkt, de Jordaan en de Westelijke Eilanden. Een en ander leidde tot veranderingen in de samenstelling van de raad en een herziening van de Verordening op de Raad op 25 juni 1970.

Pas op 8 december1972 vond de daar uit voortvloeiende installatie van een ARS in nieuwe gedaante plaats. Bij deze gelegenheid benadrukte de wethouder voor de Publieke Werken en Stadsontwikkeling dat de A.R.S. moest worden beschouwd als een adviescollege van de gemeenteraad van Amsterdam.

De ARS bestond uit 50 door de gemeente benoemde leden die afkomstig waren uit diverse maatschappelijke organisaties en deze vervulde zijn taak vooral na 1970 door middel van vaste commissies, ad-hoc commissies, maar ook in plenair verband. Aanvankelijk was de wethouder voorzitter, maar in het begin van de jaren 1970 kwam er een onafhankelijke voorzitter. De plenaire vergaderingen werden in 1980 openbaar.

De raad fuseerde in 1988 met de Amsterdamse Raad voor Verkeer en kreeg een andere naam: Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling. In 1999 werd besloten de secretariaten van de adviesraden in de ruimtelijke sfeer buiten de Bestuursdienst te plaatsen en te integreren tot het Geïntergreerd Secretariaat Adviesraden Ruimtelijke Sector (GISAR). Vanaf 1 januari 2000 ondersteunde het GISAR de ARS, de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg (ARM) en de Amsterdamse Commissie Milieuhygiëne (ACM) bij het uitbrengen van adviezen aan het Gemeentebestuur. Uitgangspunt van deze integratie was dat de adviesraden hun zelfstandigheid en onafhankelijkheid bleven behouden, zowel ten opzichte van het Gemeentebestuur als ten opzichte van elkaar.

Taken

De ARS bracht gevraagd en ongevraagd adviezen uit over vraagstukken die handelden over stedenbouw en ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en, na 1989, verkeer en vervoer. Vooral de samenhang met het economisch en maatschappelijk functioneren van de stad werd in ogenschouw genomen. Artikel 1 van de Verordening op de Amsterdamse Raad voor de Stedebouw van 11 september 1970 luidde dan ook: "... heeft tot taak het gemeentebestuur op verzoek of uit eigen beweging advies te geven over het te voeren beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening van Amsterdam in gewestelijk verband." De ARS zag de bezinning op de uitgangspunten van het structurele kader als belangrijkste taak. In dit structurele kader werden immers de stedenbouwkundige ontwikkeling van stad en stadsgewest geplaatst en uitvoeringsmaatregelen getoetst. Dit hield bijvoorbeeld in, te bevorderen dat het gemeentebestuur een visie formuleerde. Daarnaast was het de taak van de raad om bij te dragen aan de gedachtevorming van het gemeentebestuur, standpunten uit het maatschappelijk veld werden ingebracht als second opinion, zowel ten opzichte van ambtelijke als van politieke standpunten.

Organisatie van de Amsterdamse Raad voor de Stedebouw.

Tienmaal per jaar vond de plenaire vergadering plaats. Alleen plenaire vergaderingen waren openbaar, tenzij er vertrouwelijke stukken op tafel kwamen. De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur waren driewekelijks, onder meer als voorbereiding op het plenum (=plenaire vergadering). De secretaris zorgde voor de afronding van de adviezen en het naar buiten brengen ervan, alsook voor de afstemming met de politiek en werd ondersteund door een secretariaat. Hij was lid van het Dagelijks Bestuur en tevens adviserend lid van de ARS als geheel. De secretaris woonde bovendien vaak de werkbesprekingen bij van de dienst Publieke Werken en Stadsontwikkeling. Aldus wist hij wanneer het zinvol was om de raad in te schakelen.

De Raad bestond verder uit een wisselend aantal commissies en ad-hoc commissies.

Om er enkelen te noemen:

- Commissie Structurele Maatregelen (1973 - 1982) Deze commissie hield zich bezig met aangelegenheden betreffende de sociale en ruimtelijke hoofdstructuur van stad en stadsgewest door middel van reflectie op facet- en integrale structuurplanstudies.

- Commissie Stedenbouwkundig Beheer (1975 - 1981)

- Commissie voor Inventarisatie en Terugkoppeling (30 oktober 1973 - 12 maart 1975). Deze commissie behandelde de problemen van gebieden waarin een stedenbouwkundig proces bezig was zich te voltrekken en ging in 1975 op in de Commissie Bestemmingsmaatregelen (12 maart 1975 - 1982). Deze laatste commissie hield zich via reflectie op bestemmingsplannen e.d. bezig met structuurvraagstukken

Daarnaast was er een variërend aantal ad-hoc commissies en subcommissies. Voor de volgende vraagstukken waren ad-hoc commissies geïnstalleerd:

- Demping en Ontluistering

- Commissie Inspraak (2 mei 1974 - 28 april 1975)

- "Amsterdam denk om je hart".

- Commissie Stadsvernieuwing (6 oktober 1971 - 5 februari 1973)

- Commissie Monumentenbeleid (januari 1979 - december 1979)

De commissies vergaderden in totaal zo'n 60 maal per jaar. De resultaten van de commissiewerkzaamheden werden vastgelegd in rapporten. Deze werden in de plenaire vergadering in discussie gebracht en al dan niet gewijzigd vastgesteld. De meeste commissies van de Raad bestonden uit 4 tot 6 mensen.

Werkwijze van de raad

Bij de behandeling van vraagstukken door de Amsterdamse Raad voor de Stedebouw/Stadsontwikkeling konden drie werkfasen worden onderscheiden:

- Inventarisatie, selectie van te behandelen vraagstukken en formulering van de betreffende werkopdrachten.

- Oriëntatie, de met het vraagstuk belaste groep oriënteerde zich in de voorgelegde problematiek door middel van het doornemen van relevante rapporten, mondelinge voorlichting van de zijde van de ambtelijke adviseurs of daartoe uitgenodigde andere deskundigen of door middel van oculaire inspectie (terreinverkenning).

- Reflectie, op de voorgelegde problematiek en geschiedde door het uitbrengen van een rapport aan het gemeentebestuur of mondelinge reflecties ten overstaan van ambtelijke adviseurs en/of het gemeentebestuur.

Conceptadviezen werden door de commissies en de secretaris opgesteld, plenair behandeld, vastgesteld, om vervolgens door het Dagelijks Bestuur aan het gemeentebestuur uitgebracht te worden. Het ging ongeveer om 10 adviezen per jaar. Het secretariaat gaf in principe elke maand een informatiebulletin uit genaamd A.R.S. ACTUALIS.

Verantwoording van de inventarisatie

Een deel van het archief van 1957 (de oprichting) tot en met 1971 was reeds naar het Gemeentearchief (zie toegangsnummer 5336) overgebracht. Het hierbij beschreven archiefdeel bestond voor het grootste deel uit op jaar geordende series. Voor de bewerking was er sprake van ruim 10 strekkende meter te bewerken archief. Na bewerking bleef er 9 meter over. De te vernietigen bescheiden zijn geselecteerd aan de hand van de "Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in gemeente-archieven" gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 20 december 1983, nummer 247. Onderwerpen die van belang zijn geweest voor de beleidsvorming zijn in het archief onder meer aanwezig als bijlagen bij notulen van vergaderingen. De ingang op deze onderwerpen zijn de gebundelde agenda's van de aangetroffen plenaire vergaderingen of die van het Dagelijks Bestuur (zie inv.nrs 514-517).

Het archief bestaat uit de inventarisnummers 1 t/m 1094. De volgende inventarisnummers bestaan om diverse redenen niet meer: 23-30, 60-67, 92-95, 97-100, 117-124, 154-161, 175-178, 180-183, 197, 201-205, 224-227, 258-262, 271-274, 295-300, 315-318, 320-321, 323, 325-332, 334-335, 337, 340-343, 347, 349, 351, 355, 359, 363-368, 372-377, 398-402, 425-429, 468-475, 498-504, 518-522, 524-531, 533, 541-543 en 1014-1023.

Toelichting op de inventaris

Deze inventaris bevat een opsomming van beschrijvingen van de aanwezige archiefbescheiden (stukken, series, dossiers) volgens rubriek, daarbinnen volgens subrubriek en vervolgens chronologisch. Elke beschrijving verwijst naar het inventarisnummer, waaronder het stuk of de stukken in dozen opgeborgen zijn.

Archiefvormer

Amsterdamse Raad voor de Stedebouw (1957-1989)
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.