30044: Archief van het Kadaster: kaarten

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30044

Periode:

1832 - 1991

Inleiding

Het Kadaster heeft als taak heeft rechtszekerheid te bieden in het maatschappelijk verkeer voor wat betreft vastgoed, schepen en luchtvaartuigen. Het is bovendien een instrument bij belastingheffing inzake grondeigendom. Dit gebeurt door te registreren wie eigenaar is van het vastgoed en wat de kenmerken ervan zijn. Op 1 oktober 1832 werd het Kadaster landelijk als rijksdienst geïnstitutionaliseerd. Vanaf die dag wordt de registratie van het eigendom van onroerend goed op een landelijk uniforme wijze bijgehouden. De belangrijkste documenten die vervaardigd werden om dit mogelijk te maken zijn:

a. De kadastrale kaarten of plans. Deze geven een visueel overzicht van alle percelen van een sectie, of deel daarvan.

b. De Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT’s). Deze bevatten van laag naar hoog alle nummers van de percelen per sectie en geven relevante gegevens per perceel over de afmetingen en gebruik van het perceel.

c. De perceelsgewijze leggers. Deze geeft de lijst van grondeigenaren en gegevens over het al dan niet bebouwd zijn van de percelen. Hierbij worden onderscheiden:

- Het eerste deel, dat de namen van de eigenaren bevat die bij de oorspronkelijke opmaking van het kadaster bekend waren

- Het tweede deel, dat de namen van de personen bevat die rechten konden laten gelden, hetzij doordat hun namen pas na de hierboven genoemde opmaking bekend werden, hetzij doordat ze die rechten later verwierven.

d. De suppletoire aanwijzende tafels. Deze hebben betrekking op de omschrijving van de nieuw gevormde percelen.

De eerste opmetingen voor de plans vonden plaats volgens Franse richtlijnen, die staan beschreven in het Recueil Méthodique des Lois, Décrets, Règlements, Instructions et Décisions sur la Cadastre de la France Dit boek werd in Parijs (in het Frans in 1811) en in Amsterdam (in zowel het Frans, als in een Nederlandse vertaling in 1812) uitgegeven. De Receuil Méthodique is geen wet, veeleer een handleiding, die een uitgebreide inzage geeft in alles wat er dient te gebeuren om tot een functionerend kadaster te komen. De daarin beschreven richtlijnen werden per 1 oktober 1832 in ons land ingevoerd.

Het kadaster was (en is) een rijksinstelling. Het aantal kantoren op rijksniveau is altijd beperkt geweest. Er was er altijd één in elke provinciale hoofdstad gevestigd. Op rijksniveau waren de stukken ter inzage. De taak van de medewerkers ter plekke was primair het actueel houden van gegevens. Daarnaast waren er kantoren van bewaring van de hypotheken en het kadaster. In 1832 werden er vierenvijftig van deze bijzondere kantoren ingericht. Deze bewaarplaatsen zijn min of meer gelijkmatig over het hele land verdeeld. Ook Amsterdam had er een. Ze bewaarden, naast dubbelen van de eigen gemeente, ook de gegevens van een ‘kring’ van omliggende gemeenten. Voor de bijzondere vestiging Amsterdam waren dit Aalsmeer, Ankeveen, Blaricum, Bussum, Diemen, ’s-Graveland, Hilversum, Huizen, Kortenhoef, Laren, Muiden, Naarden, Nederhorst den Berg, Nieuwer-Amstel, Ouder-Amstel, Sloten, Uithoorn, Watergraafsmeer, Weesp en Weesperkarspel. Geleidelijk werd het aantal van vierenvijftig bewaarplaatsen weer ingekrompen. Volgens De Vos (1902) waren er in 1902 landelijk gezien nog tweeëndertig over. Deze waren voornamelijk gevestigd in de grotere plaatsen. Behalve burgers die hun kadastrale gegevens wilden controleren moesten ook lokale ambtenaren in de gelegenheid gesteld worden om kadastrale gegevens te raadplegen. Daartoe ontvingen gemeenten, waaronder ook Amsterdam, dubbelen van bovengenoemde administratie. Elke gemeente had een ambtenaar aangesteld die de taak had de burgers te helpen bij het raadplegen van deze dubbelen. Ook moest ze eventuele klachten opnemen en deze kort sluiten met kadastrale rijksambtenaren. Deze constructie voorkwam dat burgers op reis moesten naar soms ver weg gelegen plaatsen om de gegevens van hun eigen percelen te bekijken. In de volksmond staat deze lokale raadpleegplaats bekend onder de naam Gemeentekadaster. Het is een naam die geen formele status heeft. Strikt genomen moet elk gemeentelijk kadastraal kantoor gezien worden als een dependence van het landelijk georganiseerde Kadaster. De gemeentelijke dubbelen werden (meestal eenmaal per jaar) geactualiseerd. Hierbij waren de rijksexemplaren, en niet de gemeentelijke dubbelen, dwingend. Bijvoorbeeld in het geval percelen meerdere keren in een korte tijd gesplitst, samengevoegd of doorverkocht werden konden de gegevens van het rijk en de gemeente verschillend zijn. In die gevallen moest teruggevallen worden op de rijksadministratie. De actualisering van kaartbladen, aanwijzende tafels en leggers een taak was een taak van de in de provinciehoofdsteden gevestigde kantoren. De bijzondere bewaarplaatsen en de gemeenten deden dit niet zelf.

Kadastrale kaartbladen tonen juridische grenzen, dit in tegenstelling tot topografische kaarten, die grenzen in het landschap laten zien. In de praktijk komen deze meestal overeen, al zijn er soms verschillen. Ter illustratie: als een boer, illegaal, een stukje gemeentelijk bos, dat naast zijn eigen akker ligt, rooit en dit bij zijn perceel trekt, zal hij op een kadastrale kaart de juridische grens zien staan (de situatie voor de annexatie). Op een topografische kaart ziet hij echter de in het landschap zichtbare grens (de situatie na de annexatie).

Om in 1832 van start te kunnen gaan, werd in Amsterdam al in 1820 begonnen met meten. De belangrijkste landmeters in Amsterdam uit die tijd waren S.P. van Diggelen, F.J. Nautz, A. van Oosterhout, D.S. Waterman en A. van Diggelen. De laatste, Arien van Diggelen, was een broer van S.P. (Staas Peter) van Diggelen. Zij waren alle vijf benoemd als 'landmeters der eerste klasse'. De eerstgenoemde S.P. van Diggelen (1775-1840) was binnen deze groep van vijf de sturende kracht. Als een blad tussen 1820 en 1832 gereed gekomen was en er waren vóór 1832 veranderingen in het stadsbeeld hielden zij ook de veranderingen. Deze werden, last minute, bijgetekend op de oudste kaartbladen die het Stadsarchief Amsterdam bewaart.

In het Amsterdamse Stadsarchief worden iets meer dan 3.000 kaartbladen bewaard. In grote meerderheid zijn deze bedoeld als kadastrale dubbelen van de rijksexemplaren die in de rijksarchieven bewaard worden. Verwacht zou dan ook moeten worden dat de reeksen die in alle rijksarchieven samen bewaard worden gelijk zijn aan alle gemeentelijke reeksen samen. Dit is niet juist. Bij beide beheerdersgroepen ontbreken bladen. Ook zijn de bladen die bij rijk en gemeenten bewaard worden lang niet altijd identiek. Er blijken verschillen te bestaan in de mate van bijhouding. Verder zijn er honderden kaartbladen, soms meerdere malen, gefotografeerd en/of gelichtdrukt, waarna gemeentelijke ambtenaren deze en met verschillende doelen, zelf weer annoteerden. Het staat niet vast of alle bladen die in de collectie opgenomen zijn ook dezelfde herkomst hebben. Vermoedelijk zitten er gefotografeerde of gelichtdrukte bladen bij die, mogelijk door of in opdracht van verschillende Amsterdamse diensten, vervaardigd werden en die ze op hun beurt weer voor eigen doelen aanwendden en/of annoteerden. Kaartbladen die de formele startsituatie in 1832 tonen noemen we de 'kadastrale minuutplans'. Het zijn visuele ijkpunten voor de geschiedenis van het landschap. Alle minuutplans samen tonen heel Nederland, waar Amsterdam dus niet meer dan een deel van is. Van het toenmalige Amsterdamse grondgebied werden er drieëndertig getekend. Ze tonen, de stad dus nog voor het begin van de industriële revolutie en voor de grote stedelijke uitbreidingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Al snel werd men geconfronteerd met het probleem, hoe wijzigingen op de juiste manier verwerkt moesten worden. Het minuutplan en de OAT mochten immers niet meer gewijzigd worden, teneinde de oorspronkelijke uitgangssituatie te behouden. Wat de kaarten betreft moesten alle wijzigingen na 1 oktober 1832 worden bijgehouden op zogenaamde bijbladen. Daarvan maakte men drie exemplaren ter bijvoeging bij respectievelijk het veldplan, het netteplan en het gemeenteplan. Een enorm aantal bladen was het gevolg van deze methode, zodat al in 1835 werd besloten het aantal bijbladen te reduceren. Vanaf 1844 beperkte men het aantal bladen nog verder, door van elk minuutplan nog maar één blad bij te houden. Perceelswijzigingen hield men vanaf dat jaar bij op perceelskaarten. Eén keer per jaar werden deze wijzigingen overgebracht op de bijbladen, netteplans, veldplans en gemeenteplans. Bij de gemeenten bracht men de wijzigingen direct op het netteplan aan, zodat deze bladen de situatie van 1832 niet meer exact weergeven. Vele oude minuutplans zijn in de periode 1860-1875 vervangen door nieuwe bladen. (1)

Raadpleging van de collectie

De oudste van de ruim 3.000 bladen werden tussen 1820 en 1832 getekend. Ze werden echter altijd bijgewerkt tot laatstgenoemd jaar. De meest recente vervaardigde bladen in de collectie stammen uit 1990. Het zou makkelijk zijn al er één bladwijzer (indexkaart) zou bestaan met behulp waarvan alle kadastrale bladen van elk stukje van Amsterdam vindbaar zouden zijn. De belangrijkste redenen dat één bladwijzer 'niet werkt' is de regel die het kadaster de regel hanteerde dat onbebouwd gebied (weilanden en akkers) op een andere schaal gekarteerd werd, dan bebouwd (stedelijk)gebied. De meest voorkomende schalen zijn 1:1.250, 1:2.500 en 1:5.000. Telkens als een weiland bebouwd werd, veranderde de karteringsschaal van het eerstvolgende blad. Ook leidde de voortschrijdende bebouwing tot een doorlopend proces van wijzigingen van de bladwijzer waarop de secties en hun onderverdeling ingetekend stonden.

Bij de inventarisatie van de collectie bleek dat er maar liefst 16 verschillende bladwijzers bewaard zijn. Ze tonen de hele stad van het moment van tekenen. Ook zijn er bladwijzers bewaard die de bladindeling tonen van vroegere randgemeenten (Ransdorp, Buiksloot, Durgerdam, Weesperkarspel). Ze stammen uit zowel de jaren voor, als na de annexaties van 1921. Bij de inventarisatie werd gesteld dat alle kadastrale bladen die het huidige grondgebied van Amsterdam tonen (in onderstaande rubrieken 2 tot en met 8) op minimaal één bladwijzer voor moeten komen. De bladwijzers zelf staan beschreven in rubriek 1, werden gescand en zijn vrij raadpleegbaar.

In het collectieoverzicht worden de volgende rubrieken onderscheiden:

  1. Bladwijzers.
  2. Amsterdam, 1832-1896 (toegankelijk via bladwijzer 1.1. (= toegangsnummer/inventarisnummer: 30044/1) en bladwijzer 1.2. (= 30044/2)).
  3. Amsterdam, 1896-1921 (toegankelijk via bladwijzer 2). (= 30044/3).
  4. Amsterdam, 1921-1932 (toegankelijk via bladwijzer 3). (= 30044/4).
  5. Amsterdam, 1932-1960 (toegankelijk via bladwijzer 4). (= 30044/5).
  6. Amsterdam, 1960-1977 (toegankelijk via bladwijzer 5). (= 30044/6).
  7. Amsterdam, 1977-1990 (toegankelijk via bladwijzer 6). (= 30044/7).
  8. Randgemeenten vóór annexaties (toegankelijk via de bladwijzers 7 (Buiksloot), 8 (Nieuwendam), 9 (Ransdorp), 10 (Schellingwoude), 11 (Sloten) en 12 (Weesperkarspel). (= beschreven onder de toegangs- en inventarisnummers 30044/8 tot en met 30044/13).
De bladwijzers tonen echter ook momentopnamen. De jaartallen die in de rubriekbeschrijvingen genoemd worden, geven aan uit welke jaren de beschreven bladen in die rubrieken stammen. Soms ziten er enkele bladen bij die qua datering in een andere rubriek thuishoren. Toch werd dan de keus gemaakt ze (qua datering) onder een onjuiste rubriek te plaatsen. De reden is dan dat het ingetekende vakje op de bladwijzer niet spoort met de op het kaartblad afgebeelde regio. Dit was vrijwel altijd een gevolg van nieuwe bebouwing en schaalverandering van de kaartbladen die weer leidden tot veranderingen van de indeling op de bladwijzer.

Daarnaast worden er nog drie rubrieken onderscheiden:

  1. Kadastrale bladen buiten de huidige gemeentegrens van Amsterdam (Aalsmeer, 's Graveland en Oostzaan) worden in de collectie van het Stadsarchief Amsterdam geen bladwijzers bewaard. Het gaat om slechts enkele bladen.
  2. Uittreksels uit kadastrale kaarten. Deze rubriek toont kaarten die een kadastrale herkomst hebben, maar gemaakt werden ter ondersteuning en/of illustratie van bijvoorbeeld een (ver)bouw- of vergunningaanvraag. Soms is duidelijk op wiens verzoek ze getekend werden, maar dat is lang niet altijd het geval. Er worden overigens nog meer kadastrale uittreksels in andere archieven en collecties bewaard.
  3. Fotografische reproducties. In rubriek 11 worden een kleine dertig zwart/wil-foto’s beschreven van de kadastrale minuutplans die van het Amsterdamse gebied in Haarlem bewaard worden. Feitelijk zijn het de meest uptodate bladen die we uit 1832 kennen. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw werden ze gemaakt.Het kan waardevol zijn om tegelijkertijd de Amsterdamse dubbelen en deze beelden van de Haarlemse originelen te kunnen bekijken.
  4. Overig en nagekomen.

Literatuur

E. van der Goot, Inleiding bij het archief van het kadaster, 1996 (zie: SAA, toegangsnummer 5358).

M. Hameleers, De rol van het (gemeente)kadaster in Amsterdam. In: Gedetailleerde Kaarten van Amsterdam, 2015, hfdst. 5, p. 84-105.

C. Koeman, Bijdragen van het Kadaster aan de kartografie van Nederland. In: Op Goede Gronden, Een bundel opstellen ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, 1982, p. 103-134.

P. Ratsma, De kaarten van het kadaster en het gebruik ervan bij historisch onderzoek. In: Stadsplattegronden, 1987, p. 39-47.

(1) Deze alinea werd overgenomen van http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/atlas_utrecht-1/het-kadaster/situatie-na-1832.

Archiefvormer

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.