246: Archief van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

246

Periode:

1675 - 1960

Inleiding

Op 6 mei 1634 verleenden de Staten van Holland en Westvriesland een Octrooij aan de poldermeesteren van de Buijtenvelderse polder "met approbatie van de Heeren Tresorieren van de Stad Amsterdam en bij de gemene Ingelanden geresolveert geweest in den verleden jare 1633." Toen was al getracht voor dit hele poldergebied tot waterbeheersing te komen en het Octrooij legt onder meer vast dat er daarvoor twee nieuwe achtkante watermolens op een plaats en naar goeddunken van gecomitteerden en molenmeesters geïnstalleerd moeten zijn. (1)

In het octrooi en op 17e eeuwse kaarten wordt de naam beperkt tot "Buijtenvelderse polder" of "Buijtenveldse polder". De polder was onderdeel van de zogenaamde Grote Ring van Amstelland, waartoe ook de ten westen van de Amstel gelegen Amstelveender (Middel) polder en Bovenkerkerpolder behoorden. In latere eeuwen wordt uitsluitend gesproken over "Binnendijkse Buitenvelderse polder". (2)

De polder werd aan de westzijde begrensd door de Heiligeweg, in zuidelijke richting afbuigend langs de Amstelveenseweg tot aan het Korte Loopveld (later Kalfjeslaan) en vandaar langs de Amstel noordwaarts doorlopend tot aan de stadsgracht bij de Heiligewegspoort. In het midden van de polder liep van zuid naar noord de Oude Wetering (later Boerenwetering genaamd).

Bij de vierde stadsvergroting van Amsterdam in 1663 is het poldergedeelte tussen de Heiligewegspoort (ter hoogte van het huidige Koningsplein) en de Buitensingel aan het grondgebied van Amsterdam toegevoegd. In 1675 werd door landmeter Cornelis Koel vastgesteld dat de omvang van de polder toen 1660 Rijnlandse morgens bedroeg , naar huidige maatstaven ruim 1400 ha.

Helaas is het polderarchief niet compleet overgeleverd. Uit de beginperiode bestaat nog slechts een enkel stuk.

Notulenboeken en financiële administratie zijn bewaard van de jaren 1725 tot en met 1959.

Uit de belangrijkste ingelanden werd een bestuur geformeerd. In de beginfase bestond dit uit vijf poldermeesters, later vaak vier poldermeesters aangevuld met een secretaris. Verordeningen (keuren) , Ordonnanties en rapporten van de jaarlijkse inspecties (schouwen) werden in druk verspreid, ondertekend door de secretaris, "ten overstaan en met consent van Burgemeesteren der Stad Amsterdam, als derselver Ambacht-Heeren". Nieuwer-Amstelse notarissen werden vaak als secretaris gevraagd. Voorbeelden hiervan ziin: Gaje Isaac Gales (eind 18e eeuw), Aegidius Hanssen (begin 19e eeuw) en J.F. Herbschleb (eind 19e eeuw). Wanneer grondeigenaren niet aan hun onderhoudsverplichtingen voldeden moest men zich, al naar gelang de ligging van hun perceel, verantwoorden voor de Hoofdofficier van Amsterdam of de Hoofdofficier van Amstelveen. In het noordelijk deel van de polder strekte de jurisdictie zich uit tot 100 gaarden ofwel 367 m. buiten de stadsmuren..

Het polderbestuur sloot ook (zeer bescheiden) jaarcontracten af met opzichters die in de praktijk ervaring hadden opgedaan. Een voorbeeld hiervan is Gerrit Saling Nout, begonnen als molenmakersknecht op een houtzaagmolen buiten de Zaagmolenpoort, die van augustus 1853 tot oktober 1901 opzichter is geweest van zowel de Binnendijkse Buitenvelderse polder als de Sloter Binnen- en Middelveldse gecombineerde polders. G.S. Nout was daarnaast in de periode 1872-1886 bouwopzichter in dienst van de gemeente Nieuwer-Amstel

Vergaderingen van het polderbestuur vonden plaats in het polderhuis dat gelegen was tussen de schutsluis en de overhaal voor groenteschuiten aan het eind van de Boerenwetering bij de Buitensingel. Het polderhuis werd door de poldermeesters verhuurd. De huurder had zijn inkomsten uit inning van schutgelden en de "tapnering". In 1924 is het polderhuis afgebroken nadat het waterpeil van de Boerenwetering op gelijk niveau met het stadswater was gebracht. Op de plek van het polderhuis aan het begin van de Ruysdaelkade kwam een overpompstation voor de riolering te staan.

Vanaf 1882 werden, als gevolg van oprukkende stedelijke bebouwing, bepaalde percelen onttrokken aan het polderverband. De polder is per 16 juni 1959 opgeheven bij besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland ter bekrachtiging van een voorstel van de Amsterdamse Gemeenteraad uit 1958.

De 22 kaarten die deel uitmaakten van het polderarchief zijn in 1996 overgedragen aan de Topografisch Historische Atlas en op 35 mm film overgenomen. Ze zijn raadpleegbaar via de volgende filmdatakaart-nummers: Kad. 2955 t/m 2969 en Stadsgedeelten 3704, 3705, 3706, 3707, 3708, 3709 en 3710

Noten:

1. Later is er een derde molen bijgekomen aan de bocht van de Amstel tussen Zorgvlied en het buiten Amstelrust

2. Er was ook een Buitendijkse Buitenvelderse polder "van omtrent den grooten Overtoom af langs de Nieuwe Meer over het Karnemelksgat tot aan de Polder van Ryker Oort toe" . Het octrooi hiervoor werd verleend op 19 september 1637. Deze behoorde niet bij Amstelland maar bij Rijnland. Het archief hiervan bevindt zich in het Noord-Hollands Archief te Haarlem. Opvallend is dat voor beide polders de schrijfwijze "velders" wordt gebruikt in tegenstelling tot Buitenveldert met een t, de naam van een eeuwenoude buurtschap in Amstelland en een huidige stadswijk in Amsterdam.

Literatuur:

mr .J.H. van den Hoek Ostende, Overtomen in de Omgeving van Amsterdam, Amstelodamum mb 78 (1986),

p. 41-50 en Poldermolens rond Amsterdam, Amstelodamum jb 70 (1978) p. 373

dr. L. Jansen, De Binnendijksche Buitenveldersche Polder, Ons Amsterdam, jg 17 (1965), p. 10-15

F. van Kooij, De Binnendijkse Buitenvelderse Polder, De Boerenwetering (1995), p. 13-20

Archiefvormer

Binnendijkse Buitenvelderse Polder
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.