Handleiding Meldingsrapporten Politie 1940-1945

Let op: alleen rapporten met betrekking tot overleden personen en personen > 100 jaar

Uitsluitend reproducties van meldingsrapporten van overleden personen en van personen die meer dan 100 jaar geleden geboren zijn worden online geleverd. Is levering van de scans geblokkeerd en kunt u aantonen dat de betrokkene inmiddels overleden is, dan kan de beperking worden opgeheven. Ongeveer twee weken later kunnen de scans via de Archiefbank beschikbaar zijn. Via deze index wordt in het Stadsarchief inzage gegeven in meldingsrapporten met betrekking tot niet overleden personen op vertoon van schriftelijke toestemming en een identiteitsbewijs van betrokkene. U volgt dan de procedure: Inzage niet openbaar archief. Betreffen de documenten uzelf, neem dan een identiteitsbewijs mee bij uw komst naar het Stadsarchief.

1. Wat zijn meldingsrapporten?

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog hield de Amsterdamse (gemeente)politie zogenaamde meldingsrapporten bij, waarin de wachtcommandant van elk politiebureau en elke politiepost vastlegde wat er die dag op dat bureau of die post was gebeurd. Dat kon van alles zijn: een burger die de vermissing of diefstal van zijn portemonnee dan wel fiets meldde, een inbraak, een mishandeling of erger. Agenten en rechercheurs rapporteerden over onderzoeken die ze hadden ingesteld: bij die inbraak, bij een brand, een verkeersongeluk, vrouwenhandel, de handel in opium of na de vondst van vuurwapens of een lijk. Verder werd vastgelegd wie die dag was ingesloten en waarvoor en of hij weer werd vrijgelaten of voorgeleid aan de rechter-commissaris. Van deze meldingsrapporten werden dagrapporten gemaakt, een samenvatting van de belangrijkste gebeurtenissen. Van die dagrapporten werden weer generaalrapporten gemaakt, een samenvatting van de samenvatting. De hoofdcommissaris trof elke ochtend zo’n generaalrapport op zijn bureau aan en wist zo in een paar minuten lezen wat er de vorige dag was gebeurd dat voor hem van belang was.

De meldingsrapporten zijn nu gedigitaliseerd en staan online, de rapporten dus die tezamen de een bijna volledig beeld geven van het werk van de Amsterdamse politie tijdens de oorlog. Alle meldingsrapporten uit de periode 1940-1945 zijn doorzoekbaar op de namen van burgers, die aangifte deden, als getuige werden opgevoerd of waren aangehouden. Verdachten werden met volledige personalia aangeduid, getuigen vaak alleen met hun achternaam en voorletters en soms werd hun leeftijd vermeld.

Dat iemand verdachte was, maakt hem overigens nog niet schuldig. Het eventuele justitiële vervolg is niet uit de meldingsrapporten te destilleren.

Niet alle meldingsrapporten zijn nog aanwezig. De rapporten van bureau Singel uit de periode vlak voor t/m vlak na 10 mei 1940 zijn bijvoorbeeld niet aan het Stadsarchief Amsterdam overgedragen. Waarom zij niet bewaard zijn gebleven, is onbekend.

2. Wat staat er in meldingsrapporten?

Meldingsrapporten lopen van ‘v/m’ (voormiddag) 5.00 of 6.00 uur – afhankelijk van het bureau – tot de volgende ochtend zelfde tijdstip. Ze beslaan dus 24 uur, maar verdeeld over twee dagen, vandaar dat sommige rapporten zijn getiteld 10 mei 1940 en andere 4/5 mei 1945. Dat laatste betekent dus in feite: meldingsrapport 4 mei 1945 plus de nacht van 4 op 5 mei.

Meldingsrapporten kunnen losbladig zijn of de vorm van een boek hebben; andere bureaus gebruikten twee boeken: een voor de even en een ander voor de oneven dagen.
Het eerste wat de wachtcommandant die om 5 of 6 uur zijn dienst begon in alle gevallen deed, was noteren wie er op dat moment waren ingesloten. Achter hun naam schreef hij de reden. Daarna was het wachten op de eerste melding. Kwam deze binnen, dan noteerde hij in de kantlijn het tijdstip waarop hij deze melding – ook wel mutatie genoemd, doorgaans afgekort als ‘mut.’ – vastlegde.

Die eerste mutatie kon de diefstal van een fiets zijn. Zo deed ‘Assistent hooger onderwijs’ Willem Frederik Hermans (na de oorlog werd hij de auteur over de Tweede Wereldoorlog) in 1944 aangifte van de diefstal van een herenrijwiel van het merk Germaan. Hij had geen vermoeden wie de fiets had gestolen. De fiets van Anne Frank was al eerder gestolen.

Van belang zijn de politierapporten echter vooral vanwege de vele namen van verzetsmensen en joden die erin staan omdat ze door de Amsterdamse politie werden opgepakt of tijdelijk door de Sichterheitsdienst wegens plaatsgebrek aan de Euterpestraat in een van de 23 bureaus werden opgesloten. Vaak geven deze mutaties antwoord op vragen.

Enkele voorbeelden:
Op dinsdag 2 september 1941 deden de beruchte agenten Daudt en Kuiper van het Bureau Joodse Zaken een inval in het pand Boterdiepstraat 49-2 in Amsterdam-Zuid. Ze waren op zoek naar een medewerker van het illegale blad Het Parool, Arie Addicks. De arrestatie stuitte – zo schreef Kuiper in zijn meldingsrapport – op hevig verzet: de vader van de verzetsman stormde met een mes op Kuiper af, terwijl moeder Addicks Daudt met een hamer te lijf ging. Kuiper vuurde daarop met zijn dienstpistool twee schoten op vader Addicks af. Senior raakte zwaargewond, maar slaagde in zijn opzet: zijn zoon wist te ontsnappen. Toch liep de zaak slecht af. De Duitsers wisten Addicks junior alsnog te pakken. In april 1942 deed mevrouw Addicks aangifte van de diefstal van haar portemonnee met wat geld, enkele gasmuntjes en een foto van haar overleden zoon.

Van veel slachtoffers van de jodenvervolging is niet bekend wat er met hen gebeurde voordat ze in kamp Westerbork werden opgesloten. De meldingsrapporten geven in een groot aantal gevallen antwoord op de vragen hoe, wanneer en/of door wie. Onbekende Amsterdammers, anonieme inwoners van de stad, van straat opgepakt. Wat gebeurde er met apothekersassistent Nico Norden en zijn vrouw Sera Wolf, met kleermaker Eliazer Lek en met onderwijzer Louis Hoepelman?

Ook verraders en verraadsters zijn in de meldingsrapporten te traceren. Ans van Dijk werd op 26 april 1943 opgepakt toen ze ondergedoken zat. In de fouilleringregisters behorende bij de meldingsrapporten (ook deze zijn gedigitaliseerd) is terug te vinden dat ze bij haar arrestatie 51 cent, twee ringen en een horloge bij zich had. Na haar arrestatie besloot ze voor de bezetter te gaan werken. Kennelijk al heel snel, want twee dagen later werd ze opnieuw opgebracht en toen had ze een persoonsbewijs op naam van Alphonsia Maria de Jong bij zich.

De rapporten zijn niet doorzoekbaar op de namen van agenten en rechercheurs – behalve als ze door de Duitsers waren opgepakt als politiek of anderszins onbetrouwbaar. Zoals Simon Timmermans, die wegens de hulp aan joden werd aangehouden.

Ook als er aanslagen op (foute) agenten werden gepleegd, is hun naam opgenomen. Dan blijkt overigens dat Herman Gerrit Postma niet werd doodgeschoten bij de aanslag die het verzet op hem pleegde, zoals in veel boeken staat, maar slechts licht gewond raakte.

3. Namen kunnen vaker voorkomen in verschillende vorm

Iemand kan natuurlijk vaker in een van de duizenden meldingsrapporten worden genoemd, in één en dezelfde zaak en in zaken die niets met elkaar te maken hebben en in tijd ver uiteen liggen.
Iemand die aangifte deed én verdachten werden met hun volledige voor- en achternamen plus geboortedatum vermeld, getuigen werden vaak alleen met hun achternaam en initialen maar zonder geboortedatum vermeld; hooguit met hun leeftijd. Zoek dus altijd eerst op achternaam plus volledige voornamen, dan op achternaam met alle initialen (of alleen de eerste initiaal) en tenslotte op alleen achternaam.

Verder staat iemand die in één zaak werd ingesloten vaak in twee of meer achtereenvolgende rapporten vermeld, omdat het enige tijd kon duren voordat hij werd voorgeleid of vrijgelaten. In de eerste mutatie werd hij dan als Cornelis Nicolaas de Vries (een beruchte inbreker met de bijnaam Witte Nelis, maar in de oorlog overviel hij vooral distributiekantoren) opgenomen, bij vrijlating of voorgeleiding als C.N. de Vries of De Vries. In de index wordt hij dan op twee manieren vermeld, als Cornelis Nicolaas de Vries en als C.N. de Vries of De Vries. Het is dus zinvol een paar rapporten door te bladeren, zeker bij een naam als De Vries.

Het kan ook dat de naam van een verdachte in het geheel niet meer werd genoemd. Dan staat er: ‘Verdachte uit mut. (tijdstip) uur van rapport (datum) heengezonden op last van...’ Ook om die reden kan het zinvol zijn door te bladeren.

Als iemand in één rapport twee keer wordt genoemd maar in verschillende mutaties, staat hij ook twee keer in de index. Als iemand in één mutatie één keer wordt genoemd en de mutatie loopt door op de achterkant of op de volgende pagina, dan staat hij eveneens twee keer in de index – ook als zijn naam op de achterkant of de volgende pagina niet meer wordt vermeld. Het kan dus zijn dat iemand twee keer in de index staat terwijl zijn naam slechts één keer in de mutatie voorkomt. Getrouwde vrouwen staan doorgaans onder hun mans naam gevolgd door hun meisjesnaam, maar niet altijd.

4. Schrijf- en tikfouten

Als u iemand zoekt dient u rekening te houden met het feit dat agenten fouten maakten bij het noteren van de personalia. Zo werd de naam van een nachtwaker die tal van inbraken in de binnenstad meldde als Schlegers, Slegers resp. Sleegers gespeld. Hij staat dus ook onder die drie namen in het register vermeld. Als Schlegers meldde hij op 8 april 1944 een poging tot inbraak in het pand Prinsengracht 263, het gerammel aan de boekenkast dat Anne Frank die nacht hoorde. De souteneurs en Jodenjagers Kuijper en Rond kregen de voornamen Anthonius en Henry waar het toch Antonius en Henri moest zijn.

Ook bij het noteren van geboortedata konden de wachtcommandanten fouten maken. Maurits Caransa – hij gaf eveneens de diefstal van een fiets aan – werd zo een jaar jonger.

Het kan uiteraard ook dat een onduidelijk handschrift tot foute invoer in de index heeft geleid. In september 1940 deed George Albert Luns (de broer van Joseph, die na de oorlog lange tijd minister van Buitenlandse Zaken was) aangifte van de diefstal van zijn fiets. Twee dagen later stapte hij weer naar de politie en meldde dat hij zijn fiets weer had teruggevonden. Er was geen sprake van een misdrijf, zei hij erbij. Omdat het de tweede melding was, kreeg Luns niet zijn volledige voornamen maar slechts initialen. Alleen lijkt er te staan S.A. Luns – en zo staat hij ook in de index.

Verder werden dezelfde namen soms wisselend gespeld. De y en de ij werden door elkaar gebruikt, soms stond er een klinker te veel of te weinig en in andere gevallen werden de s en z verwisseld. Gebruik bij het zoeken dus een wild card als de correcte naam niet wordt gevonden of niet bekend is. Plaats een ? als één letter onduidelijk is, een * als één of meer letters onduidelijk zijn.

Maar de wachtcommandant maakte geen fout bij het noteren van de gegevens van de heer IJ Slauerhof. Het ging echt om de accountant IJsbrand Slauerhof uit de Archimedeslaan en niet om de auteur van de verhalenbundel Schuim en asch J.J. Slauerhoff.

De juiste gegevens van personen kunnen overigens altijd eerst worden gecontroleerd via de gedigitaliseerde Gezinskaarten, Archiefkaarten en Persoonskaarten. Gezinskaarten lopen t/m 1939, Archiefkaarten zijn van sindsdien en Persoonskaarten van latere datum. Dan blijkt ook dat Slauerhoff in 1936 al was overleden en dat Maurits Caransa er in het begin van de oorlog in is geslaagd zijn Archiefkaart te (laten) vervalsen: zijn geloof werd veranderd van Joods in Nederlands Hervormd. Er had moeten staan ‘Nederlands Israëlitisch’ (afgekort als NI), maar er staat: ‘NH.’ Na de oorlog werd voor Caransa een nieuwe Archiefkaart aangemaakt.

5. Eén naam — volledig rapport

Een meldingsrapport kan verschillende scans omvatten en de naam van een persoon kan op slechts één scan voorkomen. Toch zijn aan de naam alle scans van het rapport gekoppeld. Dat is o.a. nodig voor de datering van de melding en om relatie met andere rapporten te kunnen leggen. Door het voorkomen van namen in verschillende vorm en door de schrijf- en tikfouten, kan het nodig zijn dat veel scans doorgebladerd moeten worden voor het verkrijgen van een relatief beperkte hoeveelheid informatie. Het doorbladeren van scans is in het informatiecentrum gratis.

6. Duitse en andere instellingen

Een aantal Duitse instellingen komt in de meldingsrapporten met grote regelmatig voor, met name de Sicherheitsdienst. Al vóór de Machtübernahme van de nazi’s in Duitsland in 1933 werd de Sicherheitsdienst (SD) opgericht, die onder de SS viel. Daarnaast was er de Geheime Staatspolizei (Gestapo). De SD legde zich toe op het verzamelen van gegevens op politiek, economisch, religieus, wetenschappelijk en cultureel gebied. De Gestapo concentreerde zich op tegenstanders van het Derde Rijk, arresteerde en verhoorde opposanten. In juni 1936 werd de Gestapo en de gewone politie (de Kriminalpolizei, afgekort Kripo) samengevoegd tot de Sicherheitspolizei (SiPo). SD en SiPo werden in 1939 ondergebracht bij het (nieuwe) Sicherheitshauptamt. De Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in Nederland werd in juli 1940 dr. Wilhelm Harster, die in Den Haag zetelde. Onder hem vielen ook Aussenstelle Amsterdam, gemeten naar de rol bij de Jodenvervolging de belangrijkste Aussenstelle van het land. De SiPo en SD zaten aanvankelijk aan de Herengracht 485-487, later in de Euterpestraat op nummer 99. Hier werden veel verzetsmensen verhoord en gemarteld. In 1942 werd in hetzelfde gebouw ook de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung gevestigd, een eufemisme voor een instelling die de deportatie van joden naar de vernietigingskampen organiseerde (Auswanderung betekent emigratie). Wegens plaatsgebrek verhuisde de Zentralstelle nog datzelfde jaar naar een pand aan het Adema Scheltemaplein, aan de overkant. Het gebouw van de SiPo/SD werd in 1944 door de Royal Air Force gebombardeerd.

7. Bureau Inlichtingendienst en Bureau Joodse Zaken

In de meldingsrapporten is verder veelvuldig sprake van twee bureaus van de Amsterdamse politie die in de oorlog werden opgericht: Bureau Inlichtingendienst en Bureau Joodse Zaken. Beide zaten in hetzelfde pand Nieuwe Doelenstraat 13, dat wil zeggen: Joodse Zaken was officieel op het hoofdbureau gevestigd, maar opgepakte joden werden soms eerst opgesloten in de Nieuwe Doelenstraat.

Na de Februaristaking richtte de bezetter binnen het Amsterdamse politiekorps een politieke recherche op, die zich zou bezighouden met de bestrijding van oppositionele groepen: makers van illegale bladen, saboteurs etc. Het kwam onder leiding te staan van Douwe Bakker en was gevestigd in de Nieuwe Doelenstraat. Twee van de velen die daar als verdachten werden binnengebracht, waren de broers Karel en Gerard van het Reve. Zij overleefden het, maar veel anderen belandden uiteindelijk in een concentratiekamp en keerden niet terug. In zijn dagboek reageerde Bakker doorgaans verheugd als iemand die hij aan de bezetter had overgedragen ter dood was veroordeeld. Later ging Bakker bij het Bureau Joodse Zaken werken.
Beide bureaus – Inlichtingendienst en Joodse Zaken – werden overigens ook aangeduid als N.D. (Nieuwe Doelenstraat).

In 1941 werd de NSB’er Sybren Tulp hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie. Hij wist de bezetter ervan te overtuigen dat het uitvoeren van anti-joodse maatregelen het best aan zijn korps kon worden overgelaten en stelde voor een Bureau Joodse Zaken op te richten onder leiding van de felle antisemiet Rudolf Dahmen von Buchholz, ondanks zijn Duits klinkende naam een Nederlander. In april 1942 kwam Dahmen von Buchholz voor het eerst in actie, nog voordat Bureau Joodse Zaken – in de meldingsrapporten ook wel aangeduid als het ‘11e Bureau’ – officieel (per 1 juni) was ingesteld: in de Jodenbuurt werd jacht gemaakt op joodse zwarthandelaren. Zij die werden opgepakt werden naar de Nieuwe Doelenstraat gebracht of in een politiebureau opgesloten. Op 20 april bijvoorbeeld werd een café binnengevallen waar in zwarte suikerbonnen zou worden gehandeld. 44 Joden werden opgepakt, onder wie de venters Meijer Halberstadt en Mozes Hangjas (zie ook hun marktkaarten). Ze werden allen na verhoor heengezonden. Dit keer nog wel. Later die maand werden in verband met deze zaak nog vier joden opgepakt. Zij werden aan ‘Kommissar HORAK van de Rijksopsporingsdienst’ te Den Haag ter beschikking gesteld. Hun namen zijn terug te vinden in de meldingsrapporten, hun lot is mogelijk via deze rapporten te reconstrueren. Bureau Joodse Zaken handelde overigens alle zaken af waarbij joden waren betrokken. Fietsten ze zonder licht, dan werd een doorslag van het proces-verbaal aan Bureau Joodse Zaken toegestuurd; handelden ze in valse suikerbonnen: idem. Vanaf begin juli 1942 evenwel was de belangrijkste taak het opsporen van ondergedoken joden. Bij het bureau werkten onder andere de beruchte agenten — en als het uitkwam: jodenjagers — Douwes Bakker, Abraham Kaper en Maarten Kuiper.
Een (klein) deel van het archief van Bureau Joodse Zaken is ook gedigitaliseerd en op namen van slachtoffers doorzoekbaar. Het zijn dagrapporten over het oppakken van joden, over de controle van woningen door joden verlaten (ook diefstallen uit huizen van joden), controle van de Jodenmarkt op het Gerard Douplein en processen-verbaal van het verhoor van joden.
Verder wordt regelmatig melding gemaakt van het feit dat iemand is overgedragen aan het Bureau Zentralstelle für Jüdische Auswanderung

8. Veel gebruikte afkortingen

In de rapporten worden veel afkortingen gebruikt, helaas zelden consequent. Hieronder een lijst met de meest gebruikte (varianten), gegroepeerd op verwantschap.

A.P.(’s) – agent(en) van politie
B.P.(’s) – brigadier(s) van politie
C.P. – commissaris van politie

H.B. – hoofdbureau van politie
(H.B.)C.R. – Centrale Recherche (zat op het hoofdbureau)
V.D. – Vreemdelingendienst
K.P. – Kinderpolitie
Z.P. – Zedenpolitie
(C.)C.C.D. – (Centrale) Crisis Controle Dienst
E.Z. – Economische Zaken (onder meer bestrijding zwarthandel)

WMR of WM’s – wachtmeester(s)
O.W. – opperwachtmeester
Mar. – Marechaussee
Groeps c.m.d.t. – groepscommandant

O.v.J. – officier van justitie
R.-C. – rechter-commissaris

P.v.B. – proces-verbaal
A.P.V. – Algemene Politieverordening
W.v.S. – Wetboek van Strafrecht
n.t.z.l.h. – niets te zijner laste hebbend

SiPo — Sicherheitspolizei
S.D. – Sicherheitsdienst (ook aangeduid met S.Dienst of Euterpestraat, waar de SD op 99 zat)
P.B.A. – Politiebataljon Amsterdam (Nederlanders in Duitse dienst)
Zentralstelle – Zentralstelle für Jüdische Auswanderung
A(dema) Scheltemaplein – hier was de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung gevestigd
L.B.D. – Luchtbeschermingsdienst

(N.)B.S. – (Nederlandse) Binnenlandse Strijdkrachten

9. Districten

Amsterdam was net als nu ingedeeld in politiedistricten, al heetten die toen secties. Er waren 23 wijkbureaus, maar u hoeft maar één keer een naam in te voeren: de meldingsrapporten van alle bureaus worden dan doorzocht.

Admiraal De Ruyterweg
Van Beuningenplein
Cruquiusweg
Ertskade
Haarlemmerplein
Houtmarkt
Insulindeweg
Jonas Daniël Meijerplein
Katten-/Oostenburgergracht
Leidseplein
Linaeusstraat
Marnixstraat
Mosplein
Overtoom
Pieter Aertzstraat
Raampoort
Singel
Spaarndammerstraat
Stadhouderskade
Warmoesstraat
Westerdoksdijk
Zeeburgergracht
Zoutkeetsplein

Laatst bijgewerkt op 24 mei 2012
ZoekVoorbeeldHandleiding
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<